Paragraaf 3.3 Raam- en straatprostitutie

  1. De exploitant of de leidinggevende moet aanwezig zijn tijdens de uren dat het prostitutiebedrijf wordt uitgeoefend.

  2. De exploitant van een prostitutiebedrijf moet zorgen dat:

    1. de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees redelijkerwijs hun eigen werktijden kunnen bepalen;

    2. er een deugdelijke bedrijfsadministratie wordt gevoerd waarin de actuele gegevens zijn opgenomen van;

      • de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees;

      • de verhuuradministratie;

      • van alle voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees, de documentatie die als basis ligt aan het vormen van het oordeel over de mate van zelfredzaamheid, bedoeld in artikel 3:15, tweede lid, onder k;

      • de werkroosters van de leidinggevenden;

    3. de bedrijfsadministratie met inachtneming van de wettelijke termijnen wordt bewaard en altijd beschikbaar is voor toezichthouders;

    4. medewerkers van de gemeentelijke gezondheidsdienst en van andere door de burgemeester of het college aangewezen instellingen worden toegelaten tot seksinrichtingen als ze voornemens zijn voorlichtings- en preventieactiviteiten uit te voeren of voorlichtingsmateriaal te verspreiden;

    5. direct ieder signaal van mensenhandel of andere vormen van dwang en uitbuiting bij de politie wordt gemeld;

    6. direct aan het bevoegde bestuursorgaan wordt gemeld als één maand geen gebruik wordt gemaakt van de vergunning. In de melding moet de reden en de verwachte duur vermeld zijn.

  3. Het is verboden te handelen in strijd met het eerste en tweede lid.