1. Op een aanvraag om het verlengen van een vergunning zijn de artikelen 3:3, 3:5, 3:6 tot en met 3:8 en 3:15, derde lid, van toepassing, met dien verstande dat actuele gegevens en bescheiden waarover het bevoegde bestuursorgaan al beschikking heeft niet nogmaals overgelegd moeten worden.

  2. Als ten minste twaalf weken voorafgaand aan de vervaltermijn van de vergunning het verlengen van de vergunning is aangevraagd, blijft de vergunning geldig totdat op de aanvraag om het verlengen is besloten.