Het is aan een ieder, die zich als bader of zwemmer in een openbaar water ophoudt alsmede aan hen, die niet behoren tot de bemanning of tot de passagiers van een vaartuig, verboden:

  1. zich zodanig te gedragen, dat dit voor de scheepvaart hinderlijk kan zijn;

  2. zich zonder redelijk doel aan dat vaartuig vast te houden, daaraan te hangen, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden;

  3. zich te bevinden binnen een afstand van 15 meter van sluizen, gemalen en bruggen.