1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 wordt een vergunning als bedoeld in artikel 2:80a geweigerd:

    1. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met de aanvraag in overeenstemming zal zijn;

    2. indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

    3. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer; of

    4. indien de exploitant of een of meer beheerders van het bedrijf binnen drie jaar vóór de indiending van de vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde of veiligheid, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken.

  2. De vergunning als bedoeld in artikel 2:80a kan worden geweigerd:

    1. indien de woon- of leefsituatie in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;

    2. indien de exploitant in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of

    3. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten.