1. Het is verboden een horecabedrijf of andere openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

  2. De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie van het horecabedrijf of de andere openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.

  3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd indien:

    1. de woon- of leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de andere openbare inrichting of de openbare orde of veiligheid op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed;

    2. indien de aanvrager geen VOG met betrekking tot de leidinggevende overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven;

    3. de exploitatie van het horecabedrijf of de andere openbare inrichting een onaanvaardbaar risico op ernstige verstoring van de openbare orde of veiligheid met zich zal meebrengen;

    4. indien uit de ter beschikking staande gegevens kan worden afgeleid dat in een openbare inrichting middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet zullen worden bereid, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervaardigd of aanwezig zullen zijn; of

    5. dit in het belang is van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten.

  4. Geen vergunning is vereist voor een horecabedrijf of andere openbare inrichting die zich bevindt in:

    1. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van het horecabedrijf of de andere openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit en deze niet meer dan 20 vierkante meter, maar ten hoogste 20% van het vloeroppervlak, bedraagt;

    2. een zorginstelling;

    3. een museum of bibliotheek; of

    4. een bedrijfskantine of –restaurant.

  5. Leidinggevenden van een horecabedrijf of andere openbare inrichting voldoen aan de volgende eisen:

    1. zij hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt;

    2. zij zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en

    3. zij mogen niet onder curatele staan.

  6. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de vergunning worden ingetrokken indien de vergunninghouder geen VOG met betrekking tot de nieuwe of gewijzigde leidinggevende overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de leidinggevende is gestart met zijn werkzaamheden, is afgegeven.

  7. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.