In deze afdeling wordt verstaan onder:
houtopstand: één (of meerdere) houtig, opgaand gewas, zowel levend als afgestorven met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 10 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam.
beschermde houtopstand: een houtopstand dat is vastgelegd op de Groene Kaart.
Groene Kaart: kaart met daarop aangegeven de beschermde houtopstanden.
dunning: velling, welke uitsluitend als een verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand moet worden beschouwd
vellen: rooien; kappen; verplanten; het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben;
rooien: het geheel verwijderen van het boven- en ondergrondse deel van de houtopstand;
kappen: het geheel of grotendeels verwijderen van het bovengrondse deel van de houtopstand;
kandelaberen: het terugsnoeien van de kroon tot een hoofdstam met takstompen;
bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld overeenkomstig artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming;
bomen effect analyse: een standaard beoordeling van de gevolgen van voorgenomen bouw of aanleg voor houtopstand, op basis van landelijke richtlijnen van de Bomenstichting.