1. De omgevingsvergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd:

    1. als onjuiste of onvolledige gegevens ter verkrijging van de omgevingsvergunning zijn verstrekt;

    2. als het, na het verlenen van de omgevingsvergunning, op grond van verandering van inzichten of omstandigheden na verlening, wijziging of intrekking, noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de omgevingsvergunning is vereist;

    3. als van de omgevingsvergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn of als deze termijn ontbreekt, binnen een redelijke termijn.