1. Het is verboden beschermde houtopstand te vellen of te doen vellen.

  2. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  3. Het in het eerste lid bedoelde verbod behoudens ontheffing geldt eveneens voor:

    1. houtopstand die is aangelegd op basis van een herplant- en instandhoudingsplicht op grond van het artikel 4:11E van deze verordening;

    2. houtopstand die is aangelegd op grond van een overeenkomst met een publiekrechtelijk bestuursorgaan;

    3. houtopstand buiten de bebouwde kom in de vorm van rijbeplantingen, wegbeplantingen, beplantingen langs waterwegen en eenrijige beplantingen langs landbouwgronden die minder dan 21 bomen omvat gerekend over het totaal aantal rijen;

    4. buiten de bebouwde kom staande populieren of wilgen bestaande uit wegbeplantingen, beplantingen langs waterwegen en eenrijige beplantingen langs landbouwgrond

  4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt verder niet voor:

    1. een beschermende houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving van Burgemeester en wethouders, zulks onverminderd het bepaalde in de artikelen 4:11H en 4:11I van deze verordening;

    2. het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud;

    3. het periodiek knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud;

    4. het dunnen.