1. Het is verboden tussen zonsondergang en zonsopgang een openbare plaats als slaapplaats te gebruiken en verder op of aan een openbare plaats een voertuig, caravan, keetwagen, magazijnwagen, tent of een soortgelijk of ander onderkomen als slaapplaats te gebruiken of daarin te overnachten dan wel gelegenheid daartoe te bieden.

  2. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen en daaraan voorschriften verbinden in het belang van:

    1. de openbare orde

    2. het voorkomen of beperken van overlast

    3. de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen

    4. de zedelijkheid of de gezondheid

    5. de bescherming van natuur en landschap

  3. Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod van het eerste lid niet geldt.

  4. Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van:

    1. de openbare orde

    2. het voorkomen of beperken van overlast

    3. de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen

    4. de zedelijkheid of de gezondheid

    5. de bescherming van natuur en landschap

    6. de bescherming van het aanzien van de gemeente.

  5. Het verbod geldt niet:

    1. voor vaartuigen en woonboten die een ligplaats innemen waar dit op grond van artikel 5:25 of het omgevingsplan is toegestaan;

    2. voor woonwagens met een woonbestemming;

    3. op een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd;

    4. op kampeerplaatsen die op grond van artikel 4:19 zijn aangewezen.

  6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.