1. De eigenaar of houder van een hond die een (zeer) ernstig bijtincident heeft begaan wordt gevraagd om afstand te doen van zijn hond.

  2. De burgemeester geeft bevel tot het onvrijwillig in beslag nemen van de hond indien de houder niet vrijwillig afstand doet van de hond en de burgemeester vreest dat de kans op bijtrecidive aanwezig is, of als de hond al eerder een bijtincident heeft veroorzaakt.

  3. Bij het onvrijwillig in beslag nemen kan in opdracht van de houder de hond aan een risico-assessment worden onderworpen die de burgemeester betrouwbaar acht. De test zal moeten uitwijzen of de hond resocialiseerbaar of elders herplaatsbaar is, of dat het risico bij terugplaatsing bij de houder als te groot moet worden ingeschat.

  4. De kosten van vervoer, verblijf, test en eventueel laten doden van de hond komen voor rekening van de houder van de hond.

  5. Bij bijtrecidive of bij (zeer) ernstige bijtincidenten informeert de gemeente het Openbaar Ministerie zodat dit kan overwegen of het instellen van strafvervolging tegen de houder van de hond, terzake van mishandeling, vernieling, geen voldoende zorg dragen voor onschadelijk houden van een gevaarlijk dier, of overtreding van de APV aan de orde is.

  6. Indien de burgemeester bij de situatie uit het tweede lid niet vreest dat recidive zal plaatsvinden, dan kan het college de hond aanwijzen als gevaarlijke hond.