Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning bedoeld in artikel 2:28 van deze verordening geheel of gedeeltelijk intrekken indien:

  1. de openbare inrichting niet (meer) voldoet aan de eisen die gesteld zijn in het Besluit bouwwerken leefomgeving;

  2. er bij herhaling incidenten in of vanuit de openbare inrichting hebben plaatsgevonden waarbij de openbare orde, veiligheid, zedelijkheids- of gezondheid in het geding zijn en/of een bedreiging vormen voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de inrichting;

  3. de exploitant of leidinggevende handelt in strijd met de voorschriften die verbonden zijn aan de in artikel 2:28, eerste lid, genoemde vergunning;

  4. er sprake is van een wijziging in de exploitatie en dit niet is gemeld als bedoeld in artikel 2:28A;

  5. er sprake is van de omstandigheid en een geval, als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur;

  6. de exploitant of leidinggevende van de inrichting toestaat of gedoogt dat in en/of vanuit zijn inrichting strafbare feiten worden gepleegd.