1. In afwijking van artikel 1:6 trekt de burgemeester de vergunning in, als:

    1. niet meer wordt voldaan aan een of meer eisen gesteld in artikel 2:28, derde lid;

    2. voor de openbare inrichting een vergunning op grond van de Alcoholwet is vereist en deze is geweigerd, ingetrokken of de aanvraag om die vergunning buiten behandeling is gelaten;

    3. bij de aanvraag van de vergunning onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt, en verstrekking van de juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid.

  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester kan de vergunning tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken als:

    1. a naar zijn oordeel de aanwezigheid van de openbare inrichting gevaar veroorzaakt voor de openbare orde en/of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting;

    2. de vergunninghouder het bij of krachtens de bepalingen in deze afdeling geregelde overtreedt;

    3. de vergunninghouder of de leidinggevende betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de openbare inrichting, dan wel toestaat of gedoogt dat in de openbare inrichting activiteiten plaatsvinden waardoor de openbare orde gevaar loopt en/of het woon- of leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting wordt bedreigd;

    4. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet (meer) in overeenstemming is met de vergunning;

    5. zich in of vanuit de openbare inrichting anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van de openbare inrichting gevaar veroorzaakt voor de openbare orde en/of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting.