1. De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet:

    1. binnen de bebouwde kom, met uitzondering van losloopterreinen groter dan 2000 m2

    2. op een gedeelte van de weg dat bestemd is of mede bestemd voor het verkeer van voetgangers;

    3. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide;

    4. op een andere door het college aangewezen plaats.

  2. Het bepaalde in het eerste lid onder a is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

  3. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd.

  4. De eigenaar of houder van een hond, is verplicht, indien deze zich met een hond op een in lid 1 genoemde plaats bevindt, een hulpmiddel, in de vorm van bijvoorbeeld een schep of zakje, bij zich te hebben dat geschikt is voor het verwijderen van uitwerpselen.

  5. Burgemeester en wethouders kunnen van de verboden, genoemd in het eerste lid onder a, b en c ontheffing verlenen aan een eigenaar of houder van een hond indien deze zich, vanwege zijn beperking, niet in staat is de uitwerpselen op te ruimen.

  6. De verboden uit het eerste lid zijn niet van toepassing op politiehonden en schaapherdershonden.