1. Behoudens het bepaalde in de Wet personenvervoer 2000 en de Binnenvaartwet is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders op een openbaar water binnen of vanuit de gemeente tegen directe of indirecte betaling of vergoeding:

    1. met een vaartuig personen te vervoeren of te doen vervoeren;

    2. een vaartuig te verhuren of te doen verhuren voor personenvervoer;

    3. een vaartuig anderszins ter beschikking te stellen of te doen stellen voor personenvervoer.

  2. Aan de in het vorige lid bedoelde vergunning kunnen door de burgemeester en wethouders voorwaarden worden gesteld.

  3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6, zijn burgemeester en wethouders bevoegd de vergunning in te trekken, dan wel de vergunningsvoorwaarden te wijzigen in het belang van de openbare orde of gezondheid.

  4. De schipper van het vaartuig waarmee handelingen als bedoeld in het eerste lid geschieden, is verplicht op eerste vordering van een opsporingsambtenaar de vergunning ter inzage af te geven.

  5. Een afschrift van de in het eerste lid bedoelde vergunning wordt aan de politie te water gezonden.

  6. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.