1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en veiligheid aan diegene die strafbare feiten verricht of zich gedraagt in strijd met de wettelijke bepalingen van deze verordening, een verbod opleggen zich te bevinden in een door de burgemeester aangewezen gebied en de daarin gelegen voor publiek toegankelijke gebouwen en inrichtingen.

  2. Het verbod geldt gedurende de periode van maximaal 4 weken.

  3. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en veiligheid aan diegene aan wie eerder een verbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd en ten aanzien van wie binnen zes maanden na het opleggen van dit verbod wordt geconstateerd dat hij/zij zich opnieuw gedraagt in strijd met de in het eerste lid bedoelde wettelijke bepalingen en/of indien hij/zij de opgelegde gebiedsontzegging overtreedt, een verbod opleggen zich te bevinden in een door de burgemeester aangewezen gebied en in de daarin gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen en inrichtingen op de door de burgemeester genoemde tijdstippen voor een tijdvak van maximaal 8 weken.

  4. De burgemeester kan bepalen dat aan de gebiedsontzegging nadere voorschriften worden verbonden.

  5. De burgemeester beperkt de in het eerste of derde lid genoemde geboden, indien dat in het verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.

  6. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod.

  7. Het gebiedsverbod geldt niet voor zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.