Wet wapens en munitie Laatste controle 29-03-2026, laatste wijziging 15-03-2026.

Inhoud
§ 1 Algemene bepalingen
§ 2 Erkenning
§ 3 Bepalingen voor wapens van categorie I
§ 4 Binnenkomen en uitgaan van wapens en munitie van de categorieën II en III
§ 4a Uitvoer van vuurwapens en munitie opgenomen in bijlage I van verordening (EU) nr. 258/2012
§ 5 Vervoer van wapens en munitie van de categorieën II en III
§ 6 Voorhanden hebben en dragen van wapens en munitie van de categorieën II, III en IV
§ 7 Overdracht en verkrijging van wapens en munitie van de categorieën II, III en IV
§ 7a Markering van vuurwapens en munitie
§ 8 Veiligheidseisen
§ 9 Beroep
§ 9a Registratie ter uitvoering van Richtlijnverplichtingen
§ 10 Bepalingen over de uitvoering van de wet
§ 11 Toezicht op de naleving
§ 11a Opsporing
§ 12 Strafbepalingen
§ 13 Maatregelen
§ 14 Slotbepalingen

§ 11a

Opsporing

Artikel 49 (Doorzoeking o.b.v. WWM)

Bij: "redelijkerwijs kunnen vermoeden"
Een verdenking is niet nodig, maar een kale MMA-melding is mogelijk wel te weinig.
Bij: "wapens of munitie"
Hier moet het vermoeden (en de doorzoeking) op gericht zijn. Het is wel toegestaan om andere zaken in beslag te nemen waar het zoeken niet op gericht was o.b.v. bijvoorbeeld artikel 52 WWM.
Bij: "plaatsen"
In geval dat de plaats een woning is, is er in beginsel uiteraard een AWBI-machtiging nodig.

De opsporingsambtenaren kunnen te allen tijde op plaatsen waar zij redelijkerwijs kunnen vermoeden dat wapens of munitie aanwezig zijn, ter inbeslagneming doorzoeking doen.

Artikel 50

  1. De opsporingsambtenaren zijn bevoegd te vorderen dat de verpakking van goederen, met inbegrip van reisbagage, wordt geopend, indien daartoe redelijkerwijs aanleiding bestaat op grond van:

    1. een gepleegd strafbaar feit waarbij wapens zijn gebruikt;

    2. een gepleegde overtreding van de artikelen 13, 26 of 27;

    3. aanwijzingen dat een strafbaar feit als bedoeld onder a of b zal worden gepleegd.

  2. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid kan slechts worden uitgeoefend tegen bepaalde personen, indien daartoe jegens hen aanleiding bestaat. De officier van justitie kan gelasten dat deze bevoegdheid tegenover een ieder kan worden uitgeoefend.

  3. In een veiligheidsrisicogebied als bedoeld in artikel 151b, eerste lid, of 174b, eerste lid, van de Gemeentewet, kan de officier van justitie gelasten dat tegenover een ieder de bevoegdheid kan worden uitgeoefend om verpakkingen van goederen, met inbegrip van reisbagage, te onderzoeken op wapens of munitie. Het bevel bevat een omschrijving van het aangewezen gebied en de geldigheidsduur die niet langer dan twaalf uur mag bedragen. Het bevel bevat voorts de feiten en omstandigheden, op grond waarvan de toepassing van de bevoegdheid om de verpakking van goederen, met inbegrip van reisbagage, te onderzoeken op wapens of munitie noodzakelijk wordt geacht.

  4. Indien geen medewerking wordt verleend, kunnen de opsporingsambtenaren, op kosten en risico van de houder van de goederen, in het nodige voorzien.

  5. Het bevel, bedoeld in het derde lid, wordt schriftelijk gegeven, tenzij dit omwille van de spoed niet mogelijk is. In dat geval wordt het bevel zo spoedig mogelijk op schrift gesteld.

Artikel 51

  1. De opsporingsambtenaren zijn bevoegd vervoermiddelen te onderzoeken indien daartoe redelijkerwijs aanleiding bestaat op grond van:

    1. een gepleegd strafbaar feit waarbij wapens zijn gebruikt;

    2. een gepleegde overtreding van de artikelen 13, 26 of 27;

    3. aanwijzingen dat een strafbaar feit als bedoeld onder a of b zal worden gepleegd.

  2. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid kan slechts worden uitgeoefend ten aanzien van bepaalde vervoermiddelen, indien daartoe jegens deze aanleiding bestaat. De officier van justitie kan gelasten dat deze bevoegdheid tegenover elk vervoermiddel kan worden uitgeoefend.

  3. In een veiligheidsrisicogebied als bedoeld in artikel 151b, eerste lid, of 174b, eerste lid, van de Gemeentewet, kan de officier van justitie gelasten dat tegenover een ieder de bevoegdheid kan worden uitgeoefend om vervoermiddelen te onderzoeken op wapens of munitie. Het bevel bevat een omschrijving van het aangewezen gebied en de geldigheidsduur die niet langer dan twaalf uur mag bedragen. Het bevel bevat voorts de feiten en omstandigheden, op grond waarvan de toepassing van de bevoegdheid vervoermiddelen te onderzoeken op wapens of munitie noodzakelijk wordt geacht.

  4. De opsporingsambtenaren kunnen van de bestuurders van voertuigen en van de schippers van vaartuigen daartoe vorderen dat deze de vervoermiddelen tot stilstand brengen, deze vervoermiddelen naar een door hen aangewezen plaats overbrengen en overeenkomstig hun aanwijzingen terzake medewerking verlenen.

  5. Het bevel, bedoeld in het derde lid, wordt schriftelijk gegeven, tenzij dit omwille van de spoed niet mogelijk is. In dat geval wordt het bevel zo spoedig mogelijk op schrift gesteld.

Artikel 52 (Inbeslagnamebevoegdheid WWM)

Bij: "Zij kunnen daartoe hun uitlevering vorderen."
Bij de WWM geldt dat deze ook aan de verdachte kan worden gericht.
  1. De opsporingsambtenaren zijn te allen tijde bevoegd tot inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen. Zij kunnen daartoe hun uitlevering vorderen.

  2. De opsporingsambtenaren zijn bevoegd personen aan hun kleding te onderzoeken indien daartoe redelijkerwijs aanleiding bestaat op grond van:

    1. een gepleegd strafbaar feit waarbij wapens zijn gebruikt;

    2. een gepleegde overtreding van de artikelen 13, 26 of 27;

    3. aanwijzingen dat een strafbaar feit als bedoeld onder a of b zal worden gepleegd.

  3. In een veiligheidsrisicogebied als bedoeld in artikel 151b, eerste lid, of 174b, eerste lid, van de Gemeentewet, kan de officier van justitie gelasten dat tegenover een ieder de bevoegdheid kan worden uitgeoefend om hem aan zijn kleding te onderzoeken op de aanwezigheid van wapens of munitie. Het bevel bevat een omschrijving van het aangewezen gebied en de geldigheidsduur die niet langer dan twaalf uur mag bedragen. Het bevel bevat voorts de feiten en omstandigheden, op grond waarvan de toepassing van de bevoegdheid om een ieder aan zijn kleding te onderzoeken op wapens of munitie noodzakelijk wordt geacht.

  4. Het bevel, bedoeld in het derde lid, wordt schriftelijk gegeven, tenzij dit omwille van de spoed niet mogelijk is. In dat geval wordt het bevel zo spoedig mogelijk op schrift gesteld.

  5. De opsporingsambtenaren alsmede andere daartoe door Onze Minister aangewezen personen zijn bevoegd een persoon die zich bevindt op een bij regeling van Onze Minister aangewezen luchthaven, te allen tijde aan zijn kleding en de verpakking van goederen, met inbegrip van reisbagage, alsmede diens vervoermiddel, te onderzoeken.

  6. Onze Minister wijst een luchthaven met toepassing van het vijfde lid slechts aan indien dat naar zijn oordeel met het oog op de veiligheid nodig is.

Artikel 53

  1. Ingeval van verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd kunnen voorwerpen inbeslaggenomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een ter zake van dat misdrijf op te leggen maatregel als bedoeld in artikel 56a.

  2. Op inbeslagneming op grond van het eerste lid zijn de bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering die betrekking hebben op inbeslagneming op grond van artikel 94a van dat wetboek, van overeenkomstige toepassing.

← terug naar Wet wapens en munitie