Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag Actueel

Inhoud

Hoofdstuk III

Dwang- en strafbepalingen

Artikel 29

Onze Minister van Veiligheid en Justitie is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van zijn maatregelen.

Artikel 30

  1. Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft:

    1. hij die in strijd handelt met een verbod als bedoeld in artikel 12;

    2. hij die in strijd handelt met een beperking, bevel of verbod als bedoeld in de artikelen 8, eerste lid, en 9, eerste lid;

    3. hij die in strijd handelt met een beperking of een verbod als bedoeld in artikel 17, eerste lid;

    4. hij die in strijd handelt met een bepaling of een verbod als bedoeld in artikel 13;

    5. hij die in strijd handelt met een bepaling of een verbod als bedoeld in het eerste lid van artikel 11, of een voorwaarde als bedoeld in het tweede lid van dat artikel, niet nakomt.

  2. Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft hij die opzettelijk in strijd handelt met een bevel of verbod als bedoeld in artikel 9.

  3. De feiten, in het eerste lid strafbaar gesteld, worden beschouwd als overtredingen, die in het tweede lid strafbaar gesteld, als misdrijven.

Artikel 32

  1. Bij het opsporen van een bij deze wet strafbaar gesteld feit hebben de opsporingsambtenaren toegang tot elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.

  2. De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, zijn bevoegd zich bij het betreden door andere personen te doen vergezellen.

← terug naar Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag