Vreemdelingenwet 2000

Inhoud

Artikel 31

HISTORISCH
Deze versie geldt vanaf 20-07-2015.
  1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 wordt afgewezen als ongegrond in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

  2. De vreemdeling brengt alle elementen ter staving van zijn aanvraag zo spoedig mogelijk naar voren. Onze Minister beoordeelt in samenwerking met de vreemdeling de relevante elementen.

  3. De elementen, bedoeld in het tweede lid, omvatten de verklaringen van de vreemdeling en alle relevante documentatie in het bezit van de vreemdeling.

  4. Bij de beoordeling van de aanvraag wordt onder meer rekening gehouden met:

    1. alle relevante feiten in verband met het land van herkomst op het tijdstip waarop een beslissing inzake de aanvraag wordt genomen, met inbegrip van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van het land van herkomst en de wijze waarop deze worden toegepast;

    2. de door de vreemdeling afgelegde verklaring en overgelegde documenten, samen met informatie over de vraag of de vreemdeling aan vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, blootgesteld is dan wel blootgesteld zou kunnen worden;

    3. de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling, waartoe factoren behoren als achtergrond, geslacht en leeftijd, teneinde te beoordelen of op basis van de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling, de daden waaraan hij blootgesteld is of blootgesteld zou kunnen worden, met vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, overeenkomen;

    4. de vraag of zijn activiteiten, sinds hij zijn land van herkomst of een land van eerder verblijf heeft verlaten, uitsluitend ten doel hadden de nodige voorwaarden te scheppen om een verzoek om internationale bescherming te kunnen indienen, teneinde na te gaan of de vreemdeling, in geval van terugkeer naar dat land, door die activiteiten aan vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, zou worden blootgesteld;

    5. de vraag of in redelijkheid kan worden verwacht dat de vreemdeling zich onder de bescherming kan stellen van een ander land waar hij zich op zijn nationaliteit kan beroepen.

  5. Het feit dat de vreemdeling in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, of dat hij hiermee rechtstreeks is bedreigd, is een duidelijke aanwijzing dat de vrees van de vreemdeling voor die vervolging gegrond is en het risico op die ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of die ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen.

  6. Indien de vreemdeling zijn verklaringen of een deel van zijn verklaringen niet met documenten kan onderbouwen, worden deze verklaringen geloofwaardig geacht en wordt de vreemdeling het voordeel van de twijfel gegund, wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

    1. de vreemdeling heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn aanvraag te staven;

    2. alle relevante elementen waarover de vreemdeling beschikt, zijn overgelegd, en er is een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van andere relevante elementen;

    3. de verklaringen van de vreemdeling zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn aanvraag;

    4. de vreemdeling heeft zijn aanvraag zo spoedig mogelijk ingediend, tenzij hij goede redenen kan aanvoeren waarom hij dit heeft nagelaten; en

    5. vast is komen te staan dat de vreemdeling in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd.

  7. Een aanvraag wordt niet onder verwijzing naar een eerdere afwijzende beslissing afgewezen indien de door de vreemdeling bij de aanvraag aangevoerde elementen en bevindingen grond bieden voor het vermoeden dat sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden die hieraan in de weg staan.

  8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de toepassing van het eerste tot en met zevende lid.

12-06-2026 Huidig 28-02-2026 Historisch 01-01-2026 Historisch 09-07-2025 Historisch 01-07-2025 Historisch 15-04-2025 Historisch 28-03-2025 Historisch 25-07-2024 Historisch 01-01-2024 Historisch 29-11-2023 Historisch 01-10-2023 Historisch 01-10-2022 Historisch 01-01-2022 Historisch 01-07-2021 Historisch 20-02-2021 Historisch 25-05-2018 Historisch 01-05-2018 Historisch 16-12-2017 Historisch 01-10-2017 Historisch 01-07-2017 Historisch 01-01-2017 Historisch 20-07-2015 Historisch 01-01-2015 Historisch 01-11-2014 Historisch 01-04-2014 Historisch 29-03-2014 Historisch 22-03-2014 Historisch 01-03-2014 Historisch 01-01-2014 Historisch 21-09-2013 Historisch 01-07-2013 Historisch 01-06-2013 Historisch 09-03-2013 Historisch 01-01-2013 Historisch 07-07-2012 Historisch 01-01-2012 Historisch 31-12-2011 Historisch 01-09-2010 Historisch 01-07-2010 Historisch 01-04-2010 Historisch 25-03-2009 Historisch 01-05-2008 Historisch 25-04-2008 Historisch 26-03-2008 Historisch 19-12-2007 Historisch 01-09-2007 Historisch 09-05-2007 Historisch 01-03-2007 Historisch 01-01-2007 Historisch 01-12-2006 Historisch 11-10-2006 Historisch 15-03-2006 Historisch 01-02-2006 Historisch 01-03-2005 Historisch 15-02-2005 Historisch 01-01-2005 Historisch 15-09-2004 Historisch 01-09-2004 Historisch 01-05-2004 Historisch 23-12-2003 Historisch 01-09-2003 Historisch 01-01-2002 Historisch

Vergelijking met vorige versie

Vergeleken met 01-01-2014

Tekst van deze versie

  1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 wordt afgewezen als ongegrond in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf,zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.
  2. BijDe hetvreemdeling onderzoekbrengt alle elementen ter staving van zijn aanvraag zo spoedig mogelijk naar devoren. aanvraagOnze wordtMinister medebeoordeelt betrokkenin samenwerking met de omstandigheidvreemdeling dat:de relevante elementen.
  3. De elementen, bedoeld in het tweede lid, omvatten de verklaringen van de vreemdeling reedsen eerder,alle onderrelevante een andere naam, een aanvraag voor een verblijfsvergunningdocumentatie in Nederlandhet heeftbezit ingediend;van de vreemdeling.
  4. de vreemdeling zonder geldige reden niet heeft voldaan aanBij de aanwijzingen,beoordeling bedoeldvan inde artikelaanvraag 55;wordt onder meer rekening gehouden met:

    1. dealle vreemdelingrelevante nietfeiten beschiktin oververband met het land van herkomst op het tijdstip waarop een voorbeslissing toeganginzake totde Nederlandaanvraag vereistwordt documentgenomen, voormet grensoverschrijding, tenzij hij zich onverwijld onder opgaveinbegrip van dewettelijke plaatsen waarbestuursrechtelijke ofbepalingen waarlangsvan hijhet Nederlandland isvan binnengekomenherkomst heeft vervoegd bij een ambtenaar, belast meten de grensbewakingwijze ofwaarop hetdeze toezichtworden op vreemdelingen, en daar kenbaar heeft gemaakt dat hij asiel wenst;toegepast;
    2. de door de vreemdeling terafgelegde stavingverklaring en overgelegde documenten, samen met informatie over de vraag of de vreemdeling aan vervolging in de zin van zijnhet aanvraag valseVluchtelingenverdrag of vervalsteernstige reis-schade ofals identiteitspapierenbedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, blootgesteld is dan wel andereblootgesteld bescheidenzou heeftkunnen overgelegd en, hoewel daaromtrent ondervraagd, opzettelijk de echtheid daarvan heeft volgehouden;worden;
    3. de vreemdelingindividuele tersituatie stavingen persoonlijke omstandigheden van zijnde aanvraagvreemdeling, opzettelijkwaartoe reis-factoren behoren als achtergrond, geslacht en leeftijd, teneinde te beoordelen of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden heeft overgelegd die niet op hembasis betrekkingvan hebben;de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling, de daden waaraan hij blootgesteld is of blootgesteld zou kunnen worden, met vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, overeenkomen;
    4. de vreemdelingvraag terof stavingzijn activiteiten, sinds hij zijn land van zijn aanvraag geen reis-herkomst of identiteitspapiereneen danland welvan andereeerder bescheidenverblijf kanheeft overleggenverlaten, uitsluitend ten doel hadden de nodige voorwaarden te scheppen om een verzoek om internationale bescherming te kunnen indienen, teneinde na te gaan of de vreemdeling, in geval van terugkeer naar dat land, door die noodzakelijkactiviteiten zijnaan voorvervolging in de beoordelingzin van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbrekenVluchtelingenverdrag vanof dezeernstige bescheidenschade nietals aanbedoeld hemin isartikel toe29, teeerste rekenen;lid, onder b, zou worden blootgesteld;
    5. de vreemdelingvraag afkomstig is uit een land dat partij is bij het Vluchtelingenverdrag en één van de andereof in artikelredelijkheid 30,kan onderworden d,verwacht bedoelde verdragen endat de vreemdeling nietzich aannemelijkonder heeftde gemaaktbescherming datkan het die verdragsverplichtingen ten aanzienstellen van hemeen nietander nakomt;land waar hij zich op zijn nationaliteit kan beroepen.
  5. Het feit dat de vreemdeling heeftin verblevenhet verleden reeds is blootgesteld aan vervolging in eende derdezin land dat partij is bijvan het Vluchtelingenverdrag enof éénernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, of dat hij hiermee rechtstreeks is bedreigd, is een duidelijke aanwijzing dat de vrees van de invreemdeling artikelvoor 30,die ondervervolging d,gegrond bedoelde verdragenis en dehet vreemdelingrisico op die ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of die ernstige schade zich niet aannemelijkopnieuw heeftzal gemaakt dat het die verdragsverplichtingen ten aanzien van hem niet nakomt;voordoen.
  6. Indien de vreemdeling inzijn verklaringen of een landdeel van eerderzijn verblijfverklaringen zalniet met documenten kan onderbouwen, worden toegelatendeze totdatverklaringen hijgeloofwaardig eldersgeacht duurzameen beschermingwordt zalde hebbenvreemdeling gevonden;het voordeel van de twijfel gegund, wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

    1. de vreemdeling eldersheeft een verblijfsalternatiefoprechte heeftinspanning omdatgeleverd hij voorafgaand aanom zijn komstaanvraag naarte Nederland heeft verbleven in een ander land dan het land van herkomst;staven;
    2. alle relevante elementen waarover de vreemdeling beschikt, zijn overgelegd, en er is een gevaarbevredigende vormtverklaring voorgegeven deomtrent openbarehet ordeontbreken ofvan nationaleandere veiligheid;relevante elementen;
    3. de vreemdeling afkomstig is uit een land dat ingevolge artikel 29verklaringen van de richtlijnvreemdeling asielprocedureszijn doorsamenhangend deen Raadaannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is opgenomenvoor inzijn de in dat artikel bedoelde gemeenschappelijke minimumlijst van derde landen die als veilig land van herkomst worden beschouwd.aanvraag;
    4. Eende vreemdeling heeft zijn aanvraag vanzo eenspoedig gezinslidmogelijk alsingediend, bedoeldtenzij inhij artikelgoede 29, tweede lid, tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28redenen kan wordenaanvoeren afgewezen,waarom indienhij gezinsherenigingdit mogelijkheeft isnagelaten; in een derde land waarmee de vreemdeling, bedoeld in artikel 29, eerste lid, of het desbetreffende gezinslid bijzondere banden heeft.en
    5. Bijvast ofis krachtenskomen algemenete maatregelstaan vandat bestuurde kunnenvreemdeling regelsin grote lijnen als geloofwaardig kan worden gesteld met betrekking tot het eerste lid, het tweede lid, onder g tot en met l, en het derde lid.beschouwd.
  7. Een aanvraag wordt niet onder verwijzing naar een eerdere afwijzende beslissing afgewezen indien de door de vreemdeling bij de aanvraag aangevoerde elementen en bevindingen grond bieden voor het vermoeden dat sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden die hieraan in de weg staan.
  8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de toepassing van het eerste tot en met zevende lid.

Nog geen automatische verwijzingen.

Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Vreemdelingenwet 2000