De gemeentewet (Stb. 1931, 89) wordt ingetrokken.
Gemeentewet Actueel
Inhoud
Titel II De inrichting en samenstelling van het gemeentebestuur
Hoofdstuk I Algemene bepaling
Hoofdstuk II De raad
- Artikel 7
- Artikel 8
- Artikel 9
- Artikel 10
- Artikel 11
- Artikel 12
- Artikel 13
- Artikel 14
- Artikel 15
- Artikel 16
- Artikel 17
- Artikel 18
- Artikel 19
- Artikel 20
- Artikel 21
- Artikel 22
- Artikel 23
- Artikel 24
- Artikel 25
- Artikel 26
- Artikel 27
- Artikel 28
- Artikel 29
- Artikel 30
- Artikel 31
- Artikel 32
- Artikel 32a
- Artikel 33
Hoofdstuk III Het college van burgemeester en wethouders
- Artikel 34
- Artikel 35
- Artikel 36
- Artikel 36a
- Artikel 36b
- Artikel 37
- Artikel 38
- Artikel 39
- Artikel 40
- Artikel 41
- Artikel 41a
- Artikel 41b
- Artikel 41c
- Artikel 42
- Artikel 43
- Artikel 44
- Artikel 45
- Artikel 44a
- Artikel 46
- Artikel 44b
- Artikel 47
- Artikel 44c
- Artikel 48
- Artikel 44d
- Artikel 49
- Artikel 44e
- Artikel 50
- Artikel 44f
- Artikel 51
- Artikel 44g
- Artikel 52
- Artikel 44h
- Artikel 53
- Artikel 44i
- Artikel 53a
- Artikel 44j
- Artikel 54
- Artikel 55
- Artikel 45a
- Artikel 56
- Artikel 45b
- Artikel 57
- Artikel 58
- Artikel 59
- Artikel 60
- Artikel 59a
Hoofdstuk IV De burgemeester
- Artikel 61
- Artikel 61a
- Artikel 61b
- Artikel 61c
- Artikel 61d
- Artikel 61e
- Artikel 62
- Artikel 63
- Artikel 64
- Artikel 65
- Artikel 66
- Artikel 67
- Artikel 68
- Artikel 69
- Artikel 70
- Artikel 71
- Artikel 72
- Artikel 73
- Artikel 74
- Artikel 75
- Artikel 76
- Artikel 77
- Artikel 78
- Artikel 79
- Artikel 80
- Artikel 81
- Artikel 81bis
Hoofdstuk IVa De rekenkamer
Paragraaf 1 De gemeentelijke rekenkamer
Paragraaf 2 De gemeenschappelijke rekenkamer
Hoofdstuk IVb De rekenkamerfunctie
Hoofdstuk IVc De ombudsman
Paragraaf 1 Algemene bepaling
Paragraaf 2 De gemeentelijke ombudsman
Paragraaf 3 De gemeentelijke ombudscommissie
Paragraaf 4 De gezamenlijke ombudsman en de gezamenlijke ombudscommissie
Hoofdstuk V De commissies
Hoofdstuk VI Geldelijke voorzieningen ten behoeve van de leden van de raad en de commissies
Hoofdstuk VII De secretaris en de griffier
Paragraaf 1 Algemene bepalingen
Paragraaf 2 De secretaris
Titel III De bevoegdheid van het gemeentebestuur
Hoofdstuk VIII Algemene bepalingen
Hoofdstuk IX De bevoegdheid van de raad
- Artikel 147
- Artikel 147a
- Artikel 147b
- Artikel 148
- Artikel 149
- Artikel 149a
- Artikel 150
- Artikel 151
- Artikel 151a
- Artikel 151b
- Artikel 152
- Artikel 153
- Artikel 154
- Artikel 154a
- Artikel 155
- Artikel 155a
- Artikel 155b
- Artikel 155c
- Artikel 155d
- Artikel 155e
- Artikel 155f
- Artikel 156
- Artikel 157
- Artikel 158
- Artikel 159
- Artikel 151c
- Artikel 151d
- Artikel 154b
- Artikel 154c
- Artikel 154d
- Artikel 154e
- Artikel 154f
- Artikel 154g
- Artikel 154h
- Artikel 154i
- Artikel 154j
- Artikel 154k
- Artikel 154l
- Artikel 154m
- Artikel 154n
- Artikel 155g
- Artikel 155h
Hoofdstuk X De bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders
Hoofdstuk XI De bevoegdheid van de burgemeester
Hoofdstuk XIa De bevoegdheid van de rekenkamer
Titel IV De financiën van de gemeente
Hoofdstuk XII Algemene bepalingen
Hoofdstuk XIII De begroting en de jaarrekening
Hoofdstuk XIV De administratie en de controle
Hoofdstuk XV De gemeentelijke belastingen
§ 1 Algemene bepalingen
§ 2 Bijzondere bepalingen omtrent de onroerende-zaakbelastingen
§ 3 Bijzondere bepalingen omtrent de andere belastingen dan de onroerende-zaakbelastingen
§ 4 Heffing en invordering
- Artikel 230
- Artikel 231
- Artikel 232
- Artikel 233
- Artikel 233a
- Artikel 234
- Artikel 234a
- Artikel 234b
- Artikel 235
- Artikel 236
- Artikel 237
- Artikel 238
- Artikel 239
- Artikel 240
- Artikel 241
- Artikel 242
- Artikel 243
- Artikel 244
- Artikel 245
- Artikel 246
- Artikel 246a
- Artikel 247
- Artikel 248
- Artikel 249
- Artikel 250
- Artikel 250a
- Artikel 251
- Artikel 251a
- Artikel 252
- Artikel 253
- Artikel 254
- Artikel 255
- Artikel 255a
- Artikel 256
- Artikel 257
- Artikel 258
Titel V Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het gemeentebestuur
Hoofdstuk XVI Goedkeuring
Titel VII Overgangs- en slotbepalingen
- Artikel 289
- Artikel 290
- Artikel 291
- Artikel 292
- Artikel 293
- Artikel 294
- Artikel 295
- Artikel 296
- Artikel 297
- Artikel 298
- Artikel 299
- Artikel 299a
- Artikel 299b
- Artikel 300
- Artikel 300a
- Artikel 300b
- Artikel 301
- Artikel 302
- Artikel 303
- Artikel 304
- Artikel 305
- Artikel 305a
- Artikel 306
- Artikel 307
- Artikel 308
- Artikel 309
- Artikel 310
Bijlage I bedoeld in artikel 124b, eerste lid, van de Gemeentewet
Titel VII
Artikel 290
-
De intrekking van de gemeentewet heeft geen gevolgen voor de geldigheid van de op de dag voor de inwerkingtreding van deze wet geldende besluiten.
-
Besluiten als bedoeld in het eerste lid die algemeen verbindende voorschriften bevatten waarvan de inhoud in strijd is met deze wet, worden binnen twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wet daarmee in overeenstemming gebracht of ingetrokken. De besluiten, of onderdelen daarvan, die bij het verstrijken van de in de vorige volzin genoemde termijn niet met deze wet in overeenstemming zijn gebracht of zijn ingetrokken, zijn van rechtswege vervallen.
-
Besluiten van gedeputeerde staten, bedoeld in artikel 100, eerste lid van de gemeentewet vervallen van rechtswege op de dag waarop deze wet in werking treedt.
-
Niettemin blijven gedeputeerde staten na de inwerkingtreding van deze wet bevoegd de jaarwedde van wethouders over de periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet vast te stellen overeenkomstig artikel 100, eerste lid, van de gemeentewet.
-
Het derde en het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op jaarwedden van gemeentesecretarissen, bedoeld in artikel 111, eerste lid, van de gemeentewet.
Artikel 291
Ten aanzien van de bij de inwerkingtreding van deze wet zitting hebbende leden van de raad en wethouders zijn tot hun aftreden de artikelen, 15, eerste lid, en 45 slechts van toepassing voor zover de gemeentewet ter zake eveneens een verbod inhield.
Artikel 292
In afwijking van artikel 89, tweede lid, is artikel 13, eerste lid, onderdeel h, met betrekking tot bij de inwerkingtreding van deze wet bestaande commissies eerst van overeenkomstige toepassing ten aanzien van leden die zijn benoemd verklaard na de tweede verkiezing van de commissie die na de inwerkingtreding van deze wet wordt gehouden.
Artikel 293
In gemeenten die afdelingen of dorpen met een afzonderlijk vermogen en afzonderlijke inkomsten en lasten hebben, gaan dit vermogen en deze inkomsten en lasten op in de algemene huishouding van de gemeente, indien niet door het gemeentebestuur binnen drie jaar na de dag van inwerkingtreding van deze wet een andere voorziening is getroffen.
Artikel 294
Ten aanzien van het aantal wethouders blijft tot het eerste periodieke aftreden van de wethouders na de inwerkingtreding van deze wet artikel 86 van de gemeentewet van toepassing.
Artikel 295
Aanwijzingen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de gemeentewet, blijven van kracht totdat zij bij koninklijk besluit worden ingetrokken. Tot dat tijdstip blijft artikel 2, derde lid, van de gemeentewet van toepassing.
Artikel 296
De artikelen 44, vierde lid, en 66, vierde lid, treden in werking op de dag van het eerste periodieke aftreden van de wethouders na de inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 297
Verzoeken tot ontheffing en om toestemming als bedoeld in de artikelen 81 en 82 van de gemeentewet die bij de Kroon onderscheidenlijk Onze Minister zijn ingediend voor de inwerkingtreding van deze wet en waarop door de Kroon onderscheidenlijk Onze Minister voor de dag van de inwerkingtreding nog niet is beschikt, worden overgedragen aan de commissaris van de Koning.
Artikel 298
Ten aanzien van degenen die op de dag van inwerkingtreding van deze wet het ambt van burgemeester vervullen is tot het eerste periodieke aftreden van de wethouders na de inwerkingtreding van deze wet artikel 68 slechts van toepassing voor zover de gemeentewet ter zake een verbod inhield.
Artikel 299
-
Ten aanzien van verplichtingen als bedoeld in artikel 110, tweede lid, die gelden op de dag voor die van de inwerkingtreding van deze wet, vangt de termijn, bedoeld in artikel 110, derde lid, aan op de dag na die van de inwerkingtreding.
-
Artikel 110, derde en vijfde lid, is niet van toepassing op verplichtingen als bedoeld in artikel 110, tweede lid, die zijn genoemd in de bijlage, behorende bij deze wet.
-
Ten aanzien van voorschriften als bedoeld in artikel 110, vierde lid, die gelden op de dag voor die van de inwerkingtreding van deze wet, vangt de termijn genoemd in dat lid, aan op de dag na die van de inwerkingtreding.
Artikel 299a
Artikel 299b
Artikel 300
Artikel 153 is niet van toepassing op beroepschriften die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 300a
Artikel 300b
Artikel 301
De in artikel 150 bedoelde verordening wordt vastgesteld binnen een jaar na de dag van inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 302
Artikel 151 van de gemeentewet blijft van kracht ten aanzien van wetten die tot stand zijn gekomen voor de dag van inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 303
Voor bij koninklijk besluit aan te wijzen begrotingsjaren blijven de artikelen 242 tot en met 244, 245a, 245aa, 247, 249 en 250 van de gemeentewet van toepassing. In het koninklijk besluit kunnen regels worden gesteld omtrent de toepassing van de in de eerste volzin genoemde artikelen.
Artikel 304
-
Onverminderd het bepaalde in artikel 290, tweede lid, blijven besluiten inzake gemeentelijke belastingverordeningen als bedoeld in artikel 216 van deze wet, van toepassing met betrekking tot de heffing over voordien aangevangen belastingjaren of zich voordien voorgedaan hebbende belastbare feiten.
-
In afwijking van het bepaalde in 290, tweede lid, vervallen de besluiten inzake gemeentelijke belastingverordeningen, bedoeld in de artikelen 273a en 274 van de gemeentewet, bij het verstrijken van de termijn die daarvoor in de desbetreffende belastingverordening is gesteld. Het eerste lid is hierbij van overeenkomstige toepassing.
-
In afwijking van het bepaalde in 290, tweede lid, vervallen besluiten inzake gemeentelijke belastingverordeningen als bedoeld in artikel 280 van de gemeentewet, zoals deze luidde voor de inwerkingtreding van de Wet van 24 december 1970 tot wijziging van de bepalingen inzake gemeentelijke en provinciale belastingen (Stb. 608), waarvan de heffing tot een bepaalde termijn is beperkt en waarvoor de mogelijkheid tot afkoop is gegeven, bij het verstrijken van de termijn die daarvoor in de desbetreffende belastingverordening is gesteld. Het eerste lid is hierbij van overeenkomstige toepassing.
-
Gemeentelijke verordeningen betreffende onroerende-zaakbelastingen, bedoeld in artikel 273, eerste lid, onder a en b, van de gemeentewet, moeten uiterlijk met ingang van 1 januari 1994 zijn aangepast aan artikel 220, achtste lid, van deze wet.
-
Gemeentelijke verordeningen betreffende leges of rechten, bedoeld in artikel 277, eerste lid, onder a, b 1e, b 2e of b 4e, van de gemeentewet, moeten uiterlijk met ingang van 1 januari 1994 zijn aangepast aan artikel 229 van deze wet. Voor zover de in de vorige volzin bedoelde verordeningen voor 1 januari 1994 nog niet zijn aangepast aan deze wet, blijft tot dat tijdstip artikel 279 van de gemeentewet van toepassing, zoals dit luidde voor de wijziging van de gemeentewet bij de Wet van 3 juli 1989 (Stb. 302).
Artikel 305
-
Met betrekking tot besluiten als bedoeld in artikel 290, tweede lid, en artikel 304, blijven titel VI van de tweede afdeling, eerste en tweede hoofdstuk van de gemeentewet, alsmede de op die hoofdstukken berustende uitvoeringsvoorschriften van kracht gedurende de in die artikelen bedoelde termijn.
-
Met betrekking tot besluiten als bedoeld in artikel 304, derde lid, blijven de bepalingen uit de gemeentewet zoals deze luidde voor de inwerkingtreding van de Wet van 24 december 1970 (Stb. 608) van kracht gedurende de in dat artikel bedoelde termijn.
Artikel 305a
Artikel 306
De artikelen 262 tot en met 266 zijn niet van toepassing op aan voorafgaand toezicht onderworpen besluiten die zijn genomen voor de inwerkingtreding van deze wet. Ten aanzien van die besluiten blijven de op de dag voor de inwerkingtreding van deze wet geldende wettelijke bepalingen van kracht.
Artikel 307
-
Indien het bij koninklijke boodschap van 12 oktober 1990 ingediende voorstel van wet houdende herziening van titel 4 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en wijziging van enige andere bepalingen van dat wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het Wetboek van Strafvordering (kamerstukken 21 847) niet in werking is getreden op het moment dat deze wet in werking treedt, blijft artikel 183 van de gemeentewet van kracht totdat dat voorstel van wet in werking treedt.
-
Indien het in het eerste lid bedoelde voorstel van wet op een eerder tijdstip in werking treedt dan deze wet, vervalt artikel 183 van de gemeentewet op dat eerdere tijdstip.
Artikel 308
Indien het bij koninklijke boodschap van 10 maart 1990 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de binnentredingsbepalingen (kamerstukken 22 539) niet in werking is getreden op het moment dat deze wet in werking treedt, blijven de artikelen 153 en 154 van de gemeentewet van kracht totdat dat voorstel in werking treedt.
Artikel 309
-
Deze wet treedt in werking op een bij of krachtens de wet te bepalen tijdstip.
-
Voor de bekendmaking van deze wet stelt Onze Minister de nummering van de artikelen, paragrafen, hoofdstukken en titels van deze wet opnieuw vast, en brengt de in deze wet voorkomende aanhalingen van de artikelen, paragrafen, hoofdstukken en titels met de nieuwe nummering in overeenstemming.
Artikel 310
Deze wet kan worden aangehaald als: Gemeentewet.