Gemeentewet

Inhoud
Titel I Begripsbepalingen
Titel II De inrichting en samenstelling van het gemeentebestuur
Hoofdstuk I Algemene bepaling
Hoofdstuk II De raad
Hoofdstuk III Het college van burgemeester en wethouders
Hoofdstuk IV De burgemeester
Hoofdstuk IVa De rekenkamer
Hoofdstuk IVb De rekenkamerfunctie
Hoofdstuk IVc De ombudsman
Hoofdstuk V De commissies
Hoofdstuk VI Geldelijke voorzieningen ten behoeve van de leden van de raad en de commissies
Hoofdstuk VII De secretaris en de griffier
Titel III De bevoegdheid van het gemeentebestuur
Hoofdstuk VIII Algemene bepalingen
Hoofdstuk IX De bevoegdheid van de raad
Hoofdstuk X De bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders
Hoofdstuk XI De bevoegdheid van de burgemeester
Hoofdstuk XIa De bevoegdheid van de rekenkamer
Titel IV De financiën van de gemeente
Hoofdstuk XII Algemene bepalingen
Hoofdstuk XIII De begroting en de jaarrekening
Hoofdstuk XIV De administratie en de controle
Hoofdstuk XV De gemeentelijke belastingen
Titel V Aanvullende bepalingen inzake het toezicht op het gemeentebestuur
Titel VI
Titel VII Overgangs- en slotbepalingen
Bijlage I bedoeld in artikel 124b, eerste lid, van de Gemeentewet

Artikel 234

Actueel
Je bekijkt de huidige officiële versie van 04-06-2026.
  1. De belasting, bedoeld in artikel 225, eerste lid, onder a, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte dan wel op andere wijze.

  2. Als voldoening op aangifte wordt uitsluitend aangemerkt:

    1. het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van een parkeermeter of een parkeerautomaat op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college gestelde voorschriften;

    2. indien ingevolge artikel 235, eerste lid, een wielklem is aangebracht, de voldoening op aangifte op de door het college bepaalde wijze.

  3. Ingeval een naheffingsaanslag wordt opgelegd, wordt deze berekend over een parkeerduur van een uur, tenzij aannemelijk is dat het voertuig langer dan een uur zonder betaling geparkeerd heeft gestaan.

  4. De artikelen 67b, 67c en 67f van de Algemene wet blijven buiten toepassing.

  5. Ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag worden kosten in rekening gebracht. Deze kosten maken onderdeel uit van de naheffingsaanslag en worden afzonderlijk op het aanslagbiljet vermeld. Ten aanzien van hetzelfde voertuig worden per aaneengesloten periode de kosten niet vaker dan eenmaal per kalenderdag in rekening gebracht.

  6. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze van berekening en de maximale hoogte van de in het vijfde lid bedoelde kosten. In de belastingverordening wordt het bedrag van de in rekening te brengen kosten bepaald.

  7. Overeenkomstig artikel 8, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 wordt het aanslagbiljet bekendgemaakt door toezending of uitreiking. In afwijking daarvan kan het aanslagbiljet ook worden aangebracht op of aan het voertuig. Alsdan vermeldt het aanslagbiljet niet de naam van de belastingschuldige maar het kenteken van het voertuig. Bij gebreke van een kenteken vermeldt het aanslagbiljet een of meer gegevens die kenmerkend zijn voor het geparkeerde voertuig.

  8. De naheffingsaanslag is dadelijk en ineens invorderbaar.

04-06-2026 Huidig 21-03-2026 Historisch 01-01-2026 Historisch 31-12-2025 Historisch 12-02-2025 Historisch 01-01-2025 Historisch 11-12-2024 Historisch 31-01-2024 Historisch 01-01-2024 Historisch 01-04-2023 Historisch 01-01-2023 Historisch 05-11-2022 Historisch 01-08-2022 Historisch 01-07-2022 Historisch 01-05-2022 Historisch 01-01-2022 Historisch 10-07-2021 Historisch 01-07-2021 Historisch 02-06-2021 Historisch 01-01-2021 Historisch 01-01-2020 Historisch
Voor dit artikel is er geen zichtbare wijziging ten opzichte van 01-07-2021.

Tekst van deze versie

  1. De belasting, bedoeld in artikel 225, eerste lid, onder a, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte dan wel op andere wijze.

  2. Als voldoening op aangifte wordt uitsluitend aangemerkt:

    1. het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van een parkeermeter of een parkeerautomaat op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college gestelde voorschriften;

    2. indien ingevolge artikel 235, eerste lid, een wielklem is aangebracht, de voldoening op aangifte op de door het college bepaalde wijze.

  3. Ingeval een naheffingsaanslag wordt opgelegd, wordt deze berekend over een parkeerduur van een uur, tenzij aannemelijk is dat het voertuig langer dan een uur zonder betaling geparkeerd heeft gestaan.

  4. De artikelen 67b, 67c en 67f van de Algemene wet blijven buiten toepassing.

  5. Ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag worden kosten in rekening gebracht. Deze kosten maken onderdeel uit van de naheffingsaanslag en worden afzonderlijk op het aanslagbiljet vermeld. Ten aanzien van hetzelfde voertuig worden per aaneengesloten periode de kosten niet vaker dan eenmaal per kalenderdag in rekening gebracht.

  6. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze van berekening en de maximale hoogte van de in het vijfde lid bedoelde kosten. In de belastingverordening wordt het bedrag van de in rekening te brengen kosten bepaald.

  7. Overeenkomstig artikel 8, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 wordt het aanslagbiljet bekendgemaakt door toezending of uitreiking. In afwijking daarvan kan het aanslagbiljet ook worden aangebracht op of aan het voertuig. Alsdan vermeldt het aanslagbiljet niet de naam van de belastingschuldige maar het kenteken van het voertuig. Bij gebreke van een kenteken vermeldt het aanslagbiljet een of meer gegevens die kenmerkend zijn voor het geparkeerde voertuig.

  8. De naheffingsaanslag is dadelijk en ineens invorderbaar.

1 verwijzing(en)
Hoge Raad | 03-06-2016 | 04-08-2025
Bron: rechtspraak.nl | expliciete verwijzing
Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Gemeentewet