1. Het is verboden, voor degene die daartoe niet bevoegd is, zich te bevinden buiten de wegen en paden van parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of grasperken.

  2. Het is verboden, voor degene die daartoe niet bevoegd is, te rijden of zich te bevinden buiten de wegen van voor publiek toegankelijke natuurgebieden, voor recreatief gebruik beschikbare terreinen, parken, plantsoenen, van gemeentewege aangelegde beplantingen of groenstroken met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard.

  3. Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing op voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.

  4. Het verbod uit het tweede lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van:

  5. het voorkomen van overlast;

  6. de bescherming van natuur- of milieuwaarden;

  7. de veiligheid van het publiek.

  8. Het verbod geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden:

  9. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

  10. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.

  11. Het verbod in het tweede lid is voorts niet van toepassing binnen de bij of krachtens de Omgevingsverordening Overijssel aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als ‘toestel’.

  12. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste en tweede lid.