1. Aan de exploitant of beheerder van een op de datum van inwerkingtreding van deze verordening in bedrijf zijnde inrichting wordt geacht een tijdelijke vergunning voor die inrichting te zijn afgegeven voor de duur van zes maanden.

  2. Wordt door de exploitant of beheerder van een inrichting als bedoeld in het eerste lid binnen een termijn van zes maanden na het van kracht worden van deze verordening de vereiste vergunning aangevraagd, dan wordt de tijdelijke vergunning als bedoeld in het eerste lid geacht te zijn verlengd tot het tijdstip waarop door het bevoegd op de aanvraag is beslist.