1. Het is verboden zonder voorafgaande vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie/bestemming daarvan.

  2. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor:

    1. evenementen als bedoeld in artikel 2:24;

    2. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17;

    3. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard;

    4. vlaggen, wimpels en vlaggenstokken, indien zij geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen, goederen en de verkeersveiligheid en indien de voorwerpen worden aangebracht in het kader van een ter plaatse te organiseren evenement of festiviteit;

  3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor de volgende voorwerpen mits wordt voldaan aan het bepaalde in het vijfde lid en aan de nadere regels uit hoofde van het zesde lid:

    1. terrassen als bedoeld in artikel 2:27 sub b tenzij het terras deel uitmaakt van een openbare inrichting waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 2:28 eerste lid is verleend;

    2. uitstallingen;

    3. bouwobjecten;

    4. reclameborden;

    5. plantenbakken en banken;

    6. zonneschermen;

    7. nader door het college aan te wijzen categorieën van voorwerpen.

  4. Voorwerpen die worden genoemd in lid 3 mogen geen schade toebrengen aan de weg, gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.

  5. Degene die voornemens is een voorwerp te plaatsen dat wordt genoemd in lid 3, doet daarvan uiterlijk 15 werkdagen van tevoren een melding aan het college.

  6. Het bevoegde bestuursorgaan kan nadere regels stellen voor de categorieën die worden genoemd in lid 3.

  7. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

  8. Op de aanvraag om een vergunning, niet zijnde een omgevingsvergunning, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.