1. Het is verboden op of in openbaar water:

a. met een motorvaartuig te varen met een snelheid hoger dan 9 km per uur;

b. met enig vaartuig zodanig te varen, dat er hinder of gevaar voor andere gebruikers van het openbaar water kan worden veroorzaakt;

c. de motor(en) van motorvaartuigen te laten draaien met ingeschakelde schroef (schroeven), terwijl het vaartuig ligt afgemeerd, althans stil ligt aan een steiger of in een haven, zodanig dat de afstand van de schroef tot de steiger of oeverlijn aanleiding kan geven tot beschadiging van oevers, steigers en andere waterbouwkundige werken, alsmede van de oeverbeplanting;

d. met de motor(en) van motorvaartuigen onnodig lawaai te veroorzaken en de motor(en) van motorvaartuigen tijdens het stilleggen onnodig in werking te hebben;

e. te waterskiën;

f. te valschermzweven.

2. De eigenaar van een vaartuig is verplicht er zorg voor te dragen dat daarmee niet in strijd met deze verordening wordt gevaren.

3. Van het in het eerste lid onder a, e en f gestelde kan door het college een ontheffing worden verleend.