1. Het is verboden te roken in bossen en op heidegronden of binnen een afstand van dertig meter daarvan:

    1. gedurende 1 maart tot en met 1 november;

    2. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.

  2. Het in het eerste en in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.

  3. Het in het eerste lid geldende verbod geldt voorts niet voor zover het roken plaats­vindt in gebouwen en aangrenzende, als tuin ingerichte, erven.