1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.

  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning worden geweigerd:

    1. als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

    2. als het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of

    3. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak.

  3. Het verbod is niet van toepassing indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

    1. het plaatsen/aanbrengen van het voorwerp/de voorwerpen is minimaal tien dagen van tevoren gemeld met een door het college vastgesteld meldingsformulier;

    2. het voorwerp wordt niet langer geplaatst dan strikt noodzakelijk en is in ieder geval niet langer dan dertig dagen aanwezig;

    3. er moet minimaal 3,5 meter vrije doorgang overblijven op de rijbaan voor de hulpdiensten en het overige verkeer en er moet een vrije loopruimte voor voetgangers op het voetpad overblijven met een breedte van minimaal 1,2 meter;

    4. de openbare weg mag niet worden afgesloten en brandkranen, putten en kolken moeten beschikbaar blijven;

    5. het voorwerp levert geen gevaar op voor de verkeersveiligheid;

    6. het voorwerp moet voldoende zichtbaar zijn, er moet verlichting aanwezig zijn;

    7. containers worden indien mogelijk geplaatst op parkeerplaatsen (niet op gehandicaptenparkeerplaatsen);

    8. open containers moeten ’s nachts worden afgedekt;

    9. een kraan moet op rijplaten worden geplaatst;

    10. de plaats waar het voorwerp heeft gestaan wordt schoon en onbeschadigd achtergelaten en schade die ontstaat door het plaatsen van het voorwerp zijn voor rekening van de aanvrager;

    11. de aanvrager stelt omwonenden op de hoogte.

  4. Het verbod is voorts niet van toepassing op:

    1. evenementen als bedoeld in artikel 2:24;

    2. terrassen als bedoeld in artikel 2:27, tweede lid;

    3. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17;

    4. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard;

    5. door het college aan te wijzen categorieën van voorwerpen;

    6. beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.

  5. De weigeringsgrond, bedoeld in het tweede lid, onder a, is niet van toepassing als in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

  6. De weigeringsgrond, bedoeld in het tweede lid, onder b, is niet van toepassing op bouwwerken.

  7. De weigeringsgrond, bedoeld in het tweede lid, onder c, is niet van toepassing als in de voorkoming van overlast wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

  8. Op de aanvraag om een vergunning, niet zijnde een omgevingsvergunning, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.