1. Het is degene die daartoe niet bevoegd is verboden om slootruigte, slootbagger en andere stoffen en voorwerpen die voortkomen uit beheer- en onderhoudswerkzaamheden te storten of op te slaan in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, grasperken of wegbermen.

  2. Het verbod is niet van toepassing als de in het eerste lid bedoelde stoffen onmiddellijk na de beheer- en onderhoudswerkzaamheden worden verwijderd.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien ingevolge de Wet Natuurbescherming.