1. Het is verboden op nader door de burgemeester aangewezen plaatsen of voor nader door de burgemeester aangewezen categorieën openbare inrichtingen zonder vergunning van de burgemeester een openbare inrichting te exploiteren.

  2. De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.

  3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat:

    1. de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of

    2. de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

  4. De burgemeester kan in het belang van de bruikbaarheid en het aanzien van een openbare plaats, de openbare orde of de bescherming van woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van artikel 27 lid 2.

  5. Geen vergunning is vereist wanneer wordt voldaan aan de in de nadere regels opgenomen criteria voor artikel 27 lid 2.