1. De vergunning, ontheffing of vrijstelling kan door het daartoe bevoegd gezag of het daartoe bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van:

    1. de openbare orde;

    2. de openbare veiligheid;

    3. de volksgezondheid;

    4. de bescherming van het milieu;

    5. het voorkomen of beperken van overlast;

    6. de verkeersveiligheid;

    7. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

    8. een goede ruimtelijke ordening.

  2. Indien een aanvraag voor een vergunning, vrijstelling of ontheffing wordt ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning, vrijstelling of ontheffing nodig heeft, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag te weigeren indien een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

  3. Indien een aanvraag meer dan 6 maanden, voor het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning, vrijstelling of ontheffing nodig heeft, wordt ingediend, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag te weigeren.

  4. Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen, vrijstellingen of ontheffingen kan de in het tweede lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste twaalf weken.