1. Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.

  2. Het college kan van het verbod als bedoeld in het eerste lid van dit artikel ontheffing verlenen als de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat.

  3. Het verbod als bedoeld in het eerste lid van dit artikel geldt niet voor objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.

  4. Op de aanvraag om een ontheffing als bedoeld in het tweede lid van dit artikel is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.