1. Het is ruiters verboden zich te bevinden in voor het publiek toegankelijke bossen, heidevelden, parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken en andere voor het publiek toegankelijke terreinen, met inbegrip van de daarin gelegen paden, wegen of brandgangen.

  2. Het bepaalde in lid 1 geldt niet voor:

    1. openbare wegen als bedoeld in de Wegenwet of de Wegenverkeerswet 1994;

    2. de als zodanig aangeduide ruiterpaden;

    3. de paden en wegen, gelegen in door burgemeester en wethouders aan te wijzen gebieden als bedoeld in lid 1, met uitzondering van de in deze gebieden gelegen paden, die als voet- en/of fietspad plegen te worden gebruikt.

  3. Het college kan van het bepaalde in lid 1 ontheffing verlenen.

  4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.