1. De burgemeester kan aan een persoon die een of meerdere van de hierna genoemde artikelen overtreedt, een tijdelijk verbod opleggen om zich gedurende ten hoogste 48 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden:

    • artikelen 2:1 (samenscholing en ongeregeldheden), 2:26 (ordeverstoring bij een evenement), 2:31 (verboden gedragingen in een openbare inrichting), 2:41(betreden gesloten woning of lokaal), 2:42 (plakken en kladden), 2:43 (vervoer plakgereedschap en dergelijke), 2:44 (vervoer inbrekerswerktuigen), 2:44a (geprepareerde voorwerpen), 2:47 (hinderlijk gedrag op openbare plaatsen), 2:48 (verboden drankgebruik), 2:53 (bespieden van personen), 2:74 (drugshandel op straat), 2:74a (hinderlijk drugsgebruik), 2:79 (woonoverlast)

    • artikelen 141 (openlijke geweldpleging), 184 (niet voldoen aan bevel of vordering), 300 en 302 (mishandeling), 306 (deelnemen aan vechtpartijen), 350 (vernieling en vandalisme), 424 (baldadigheid), 426 (dronken de orde verstoren) van het Wetboek van Strafrecht

    • artikel 2 en 3 van de Opiumwet

    • artikel 13, 26 en 27 van de Wet Wapens en munitie.

  2. Bij overtredingen als bedoeld in het eerste lid kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een tijdelijk verbod is opgelegd als bedoeld in dat lid en die opnieuw één of meer van de bovengenoemde overtredingen begaat, een tijdelijk verbod opleggen zich gedurende ten hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.

  3. De burgemeester beperkt het krachtens het eerste of tweede lid opgelegde verbod, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een tijdelijk verbod.

  4. Het is verboden te handelen in strijd met een krachtens het eerste of tweede lid opgelegd verbod.

  5. Indien de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste of tweede lid.