1. Het is bij vorst of dreigende vorst verboden water of andere vloeistoffen, op de weg te werpen, uit te storten of te doen of te laten lopen.

  2. Het bepaalde in lid 1 geldt ten aanzien van ijsvlakten, niet voor degene, die bevoegd is tot het doen lopen van water op een ijsvlakte.

  3. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 4 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.