1. De vergunning als bedoeld in artikel 2:28, eerste lid, wordt aangevraagd door de exploitant met gebruikmaking van en door de burgemeester vastgesteld formulier.

  2. In de aanvraag voor de vergunning als bedoeld in artikel 2:28, eerste lid, worden in ieder geval vermeld:

    1. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant en van de leidinggevende(n);

    2. indien van toepassing de verblijfstitel van de exploitant of leidinggevende(n);

    3. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of leidinggevende(n) gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten;

    4. voor welke openbare inrichting en type bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt aangevraagd;

    5. het adres en telefoonnummer van de openbare inrichting;

    6. het nummer van inschrijving van de openbare inrichting in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

    7. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin de openbare inrichting wordt gevestigd;

    8. een verklaring omtrent het gedrag, opgesteld binnen drie maanden voorafgaand aan de aanvraag om een vergunning, van de exploitant en van de leidinggevenden;

  3. De burgemeester kan als hij dat nodig acht voor het beoordelen van de aanvraag verlangen dat aanvullende gegevens worden overlegd.