1. De burgemeester weigert een vergunning als bedoeld in artikel 2.40A, eerste lid, indien:

    1. de vestiging of de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het omgevingsplan of een bekendgemaakte ontwerpwijziging daarvan;

    2. de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 2.40C gestelde eisen.

  2. De burgemeester kan een vergunning als bedoeld in artikel 2.40A, eerste lid, weigeren, als naar zijn oordeel:

    1. de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid en/of de openbare orde of veiligheid op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid;

    2. een eerdere vergunning voor de exploitatie van de speelgelegenheid is ingetrokken of de speelgelegenheid met toepassing van deze verordening dan wel van artikel 13b van de Opiumwet is gesloten;

    3. het bedrijfsplan als bedoeld in artikel 2.40B onvoldoende garanties geeft dat het in deze verordening en de Wet op de kansspelen bepaalde niet zal worden overtreden;

    4. redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn.