Het is verboden de weg, weggedeelte of een andere openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als:
degene die dit voornemen heeft niet ten minste drie werkdagen voorafgaand aan het gebruik een volledige melding heeft gedaan aan het college, op een door het college beschikbaar gesteld meldingsformulier;
. het college het beoogde gebruik na ontvangst van de melding tijdig heeft verboden.
Het college verbiedt het gebruiken of kan aan dit gebruik voorschriften verbinden:
als het boogde gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de openbare plaats en/of het wegmeubilair dan wel hinder kan veroorzaken voor de bruikbaarheid daarvan;
als het beoogde gebruik een belemmering kan vormen of anderszins hinder kan veroorzaken voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats;
ter bescherming van de verkeersveiligheid en het doelmatig en veilig gebruik van de openbare plaats;
ter bescherming van de doorstroming van het verkeer ter plaatse;
ter bescherming van de groenvoorziening ter plaatse.
Het college kan nadere regels stellen aan voorwerpen of stoffen in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving en beperkingen stellen naar soort, omvang en aantal waarop het verbod in lid 1 niet van toepassing is.
Het verbod is voorts niet van toepassing:
op evenementen als bedoeld in artikel 2:24;
op terrassen als bedoeld in artikel 2:27 en artikel 2:28a;
op standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17;
overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.
Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.