Algemene Plaatselijke Verordening Kaag en Braassem 2012 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
Afdeling Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Afdeling Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
Afdeling Evenementen
Afdeling Toezicht op openbare inrichtingen
Afdeling Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet
Afdeling Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Afdeling Toezicht op speelgelegenheden
Afdeling Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade
Afdeling Bestrijding van heling van goederen
Afdeling Consumentenvuurwerk
Afdeling Drugsoverlast
Afdeling Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
Hoofdstuk Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente
Hoofdstuk Straf-, overgangs- en slotbepalingen

Hoofdstuk

Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente

Artikel 4:1

Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • Activiteitenbesluit milieubeheer: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

  • collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

  • gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  • gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  • houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

  • incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;

  • inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  • onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.

Artikel 4:2

Aanwijziging collectieve festiviteiten

  1. De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer dorpen.

  4. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.

  5. Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

  6. Het equivalente geluidsniveau Leq,T veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 80 dB(A) en 95 dB(C) gemeten op de gevel van geluidsgevoelige gebouwen.

  7. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit - uiterlijk om 01.00 uur te worden beëindigd.

  8. In een aanwijzing bedoeld in het eerste lid kan het college afwijken van de in het zesde lid genoemde geluidsnormen en van de in het zevende lid genoemde eindtijd.

  9. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid binnen het gebouwde gedeelte van de inrichting blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

Artikel 4:3

Melding incidentele festiviteiten

  1. Het is een inrichting toegestaan maximaal 9 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.

  2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 9 incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.

  3. Het college stelt een formulier vast voor het doen van een melding.

  4. De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.

  5. De melding wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.

  6. Het equivalente geluidsniveau Leq,t, veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 80 dB(A) en 95 dB(C), gemeten op de gevel van geluidsgevoelige gebouwen;

  7. In geval er in- of aanpandige woningen zijn mag het equivalente geluidsniveau Leq,t veroorzaakt door de inrichting, niet meer bedragen dan 60 dB(A) in een geluidsgevoelige ruimte van de woning.

  8. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het binnen het bebouwde gedeelte van de inrichting ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit - uiterlijk om 01.00 uur beëindigd.

  9. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

  10. Het college kan gemotiveerd afwijken van de in het zesde en zevende lid genoemde geluidnormen en van de in het achtste lid genoemde eindtijd.

  11. De houder van een inrichting waar een incidentele festiviteit plaatsvindt, licht omwonenden binnen een straal van vijftig meter uiterlijk 48 uur voor het begin van de festiviteit in over de voor genomen festiviteit op de wijze zoals aangegeven op het meldingsformulier.

  12. Het gebruik van de aanwezige omroepinstallatie beperkt zich tot het aankondigen van het starten en beëindigen van wedstrijd- of feestonderdelen.

Artikel 4:5b

Geluidhinder in de openlucht

  1. Het is verboden buiten een inrichting in de openlucht een geluidsapparaat, toestel of machine in werking te hebben op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  3. Het college kan terreinen of wateren aanwijzen waar het verbod niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van geluidsapparaten, toestellen of machines, voor zover wordt voldaan aan de door het college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van geluidhinder.

  4. De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op:

    1. het maximale geluidsniveau;

    2. de situering van geluidsbronnen;

    3. de frequentie en tijden van gebruik.

  5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 4:5c

Geluidhinder door dieren

Degene die buiten een inrichting de zorg heeft voor een dier, voorkomt dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder veroorzaakt.

Artikel 4:5d

Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen

Het is verboden buiten een inrichting zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder ontstaat.

Artikel 4:6

Overige geluidhinder

  1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

  3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 4:8

Natuurlijke behoefte doen

Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.

Artikel 4:9

Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen

(Niet opgenomen)

Artikel 4:9a

Onkruidbescherming en gewasbescherming

De eigenaar of gebruiker van gronden is verplicht deze van onkruid te zuiveren en gezuiverd te houden, indien ten gevolge van de vervuiling van deze gronden met onkruid aan gronden die bij anderen in eigendom of gebruik zijn schade wordt toegebracht of zou kunnen worden toegebracht.

Artikel 4:9b

Verbod oplaten ballonnen

  1. In dit artikel wordt onder een ballon verstaan: een herdenkingsballon, een vuurballon, een gelukslampion, een (Thaise) wensballon, een papierballon, een geluksballon en andere daarmee vergelijkbare voorwerpen.

  2. Het is verboden ballonnen en daarmee vergelijkbare voorwerpen, van welk materiaal dan ook, door middel van hete lucht afkomstig van vuur, dan wel door middel van helium of andere gassen, op te laten.

Artikel 4:10

Definities

    1. Houtopstanden: een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend;

    2. Toekomstboom: een boom die aangeplant is met een kwalitatief goed aangelegde groeiplaats met het oog op de gestelde ambitieleeftijd.

    3. Vellen: het rooien, kappen, verplanten, het snoeien van meer dan 30% van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van kandelaberen en knotten, evenals het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging van de boom of houtopstand tot gevolg kunnen hebben;

Artikel 4:11

Toepassingsbereik

Aanwijzingen (in de fysieke leefomgeving)

Artikel 4:12

Aanwijzing bebouwingscontouren houtkap

De bebouwingscontour houtkap van de gemeente beslaat het gebied binnen de grenzen zoals oor het bevoegd gezag is vastgesteld als bebouwingscontour als bedoeld in artikel 5.165b van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving.

Artikel 4:12a

Bomenlijst

  1. Het college stelt een lijst met beschermwaardige bomen vast. Er wordt onderscheid gemaakt tussen bomen van de gemeente en bomen van derden, eigenaren van bomen niet zijnde de gemeente. Een boom moet een minimale toekomstverwachting hebben van 10 jaar én voldoen aan tenminste één van de volgende criteria om in aanmerking te komen voor de Bomenlijst;

Gemeentelijke:

  1. Bomen met een stamdiameter van minimaal 30 centimeter of een stamomtrek van minimaal 94 centimeter gemeten op 130 centimeter boven maaiveld; of

  2. Leeftijd van minimaal 60 jaar oud; of

  3. Cultuurhistorische status; of

  4. Aangewezen als toekomstboom; of

Niet-gemeentelijke:

  1. Bomen met een stamdiameter van minimaal 60 centimeter of een stamomtrek van minimaal 188 centimeter gemeten op 130 centimeter boven maaiveld; of

  2. Leeftijd van minimaal 60 jaar oud; of

  3. Cultuurhistorische status; of

  4. Herplantbomen/vervangende bomen.

  1. De Bomenlijst wordt iedere 5 jaar geactualiseerd.

Artikel 4:12b

Verbod op het vellen van bomen

  1. het is verboden bomen op de door het ollege aangenomen Bomenlijst te vellen of doen vellen zonder een door het college verleende omgevingsvergunning voor de activiteit 'boom kappen of houtopstand vellen';

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:

    a. Bomen en houtopstanden die moeten worden geveld in het kader van de Plantgezondheidswet;

    b. Bomen en houtopstanden die moeten worden geveld op bevel van de Burgemeester of diens gemachtigde, in het kader van de openbare orde en veiligheid;

    c. Bomen en houtopstanden die moeten worden geveld in het kader van artikel 4:12f;

    d. Bomen die conform een goedgekeurd beheerplan geveld worden;

    e. Boomsoorten die staan vermeld op de Unielijst invasieve exoten van Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit.

  3. In geval van een vrijstelling in het kader van het eerste lid van dit artikel, blijft het bepaalde in artikel 4:12e en/of artikel 4:12f onverminderd van toepassing.

Artikel 4:12c

Gronden voor verlening

  1. Het vellen van één of meerdere bomen die zijn opgenomen op de Bomenlijst is een vergunningsplichtige activiteit en wordt afgewogen door het bevoegd gezag;

  2. Een omgevingsvergunning voor het vellen van bomen op de Bomenlijst kan worden toegekend in geval van:

    1. Gevaar voor de openbare orde en veiligheid;

    2. Onomkeerbare aantasting van de boomconditie of kwaliteitsvermindering;

    3. Zwaarwegende maatschappelijke/persoonlijke belangen, dit vereist een college besluit.

Artikel 4:12d

Indieningsvereisten vergunningaanvraag

  1. Een vergunning zoals bedoeld in artikel 4:12b wordt aangevraagd door de rechthebbende van de betreffende boom of bomen of de gemachtigde daarvan;

  2. De aanvrager levert bij de aanvraag in ieder geval de volgende stukken en documenten aan bij het bevoegd gezag:

    1. Een kaart waarop de betreffende boom/bomen en de huidige ruimtelijke situatie zijn weergegeven;

    2. Tenminste één (1) duidelijke foto per boom;

    3. Een onderbouwing van de in lid 2 van artikel 4:12c gestelde situaties, ofwel een motivatie waarom de boom gekapt dient te worden;

    4. Welke alternatieven voor het behouden van de boom of bomen, in de vorm van boomsparende maatregelen, verplanting, of mitigerende maatregelen, zijn onderzocht conform de meest recente versie van het Handboek Bomen van het Norminstituut Bomen, en niet houdbaar zijn bevonden;

    5. In het geval dat de aanvraag wordt ingediend in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling;

      I. Een bomen effect analyse (BEA) waarin uit de conclusie te herleiden valt dat de te vellen bomen niet duurzaam te behouden is; of,

      II. Indien aangegeven door het bevoegd gezag een compensatieplan zoals bedoeld in artikel 4:12f;

    6. Een invulling van de beoogde herplant;

    7. Indien de omgevingsvergunning aangevraagd wordt in het kader van veiligheid of beheerbaarheid omwille een sterk teruggelopen boomkwaliteit of boomconditie, of ter preventie van schade of letsel, moet ook het afschrift en bevindingen van de meest recente boomveiligheidscontrole toegevoegd worden.

  3. Ter aanvulling op de in dit artikel opgenomen indieningsvereisten, kunnen derden die in eigendom zijn van een boom op de Bomenlijst op kosten van de gemeente een boominspectie aanvragen (in de vorm van een VTA, Visual Tree Assessment). De uitkomst van deze inspectie is leidend voor de verdere afhandeling van de vergunningsaanvraag. Indien de overlast met een snoeimaatregel verholpen kan worden, zijn deze kosten voor de eigenaar en wordt de omgevingsvergunning geweigerd.

Artikel 4:12e

Herplantplicht

  1. Het bevoegd gezag verbindt aan de vergunning een herplantplicht met voorschriften;

  2. Bomen die herplant worden hebben een minimale plantmaat van 16/18 centimeter;

  3. Herplant gebeurt altijd conform de herplantladder, te weten:

    1. Op dezelfde locatie, soort van gelijke boomgrootte klasse; anders,

    2. Op dezelfde locatie, soort van kleinere boomgrootte klasse; anders,

    3. Binnen dezelfde perceelsgrenzen; anders,

    4. Grenzend aan of nabij de locatie tot maximaal 300 meter; anders,

    5. Financiële compensatie;

      Bij iedere lagere keuze dan stap a. moet gemotiveerd worden waarom er afgeweken wordt. Nadere toelichting op de herplantladder is opgenomen in het beheerplan Bomen.

  4. De vergunninghouder dient zelf aan te tonen dat de herplant is uitgevoerd binnen de termijn zoals gesteld in de vergunningsvoorschriften en binnen 2 weken na aanplant, de herplant te melden bij het bevoegd gezag;

  5. Wanneer een boom gedurende een nazorgperiode van 3 jaar verloren gaat, teniet gedaan is of anderzijds in onbeheerbare staat opgeleverd wordt, is de betreffende vergunninghouder verplicht de boom te vervangen voor eenzelfde soort en plantmaat en gaat opnieuw een nazorgperiode van 3 jaar in;

  6. Bij het verlenen van een vergunning voor vellen wordt als voorschrift opgenomen dat de vergunning 4 weken na de vergunningverlening inwerking treedt;

  7. Bij een gecombineerde aanvraag waarbij meerdere vergunningsplichtige activiteiten in één procedure gezamenlijk worden ingediend en beoordeeld, wordt in ieder geval het voorschrift opgenomen dat de activiteit vellen pas mag starten als ook voor de andere onderdelen van de aanvraag toestemming is verleend;

  8. Bij het vellen van bomen zonder benodigde vergunning zoals bedoeld in artikel 4:12b legt het college een boetebedrag op volgens artikel 6:1a. Daarnaast legt het college ook een herplantplicht op;

  9. Ter uitzondering op de in dit artikel opgenomen voorschriften op de herplantplicht, wordt door een particulier die eigenaar is van een beschermwaardige boom én een omgevingsvergunning voor de activiteit kap hierop heeft aangevraagd, in samenwerking met het bevoegd gezag een maatwerkprocedure aangegaan voor de invulling van de herplant.

Artikel 4:12f

Compensatieplan

  1. Het bevoegd gezag kan de aanvrager van een omgevingsvergunning opleggen een compensatieplan op te stellen voor bomen wanneer de aanvraag een ruimtelijke ontwikkeling betreft;

  2. Het compensatieplan kan deel uitmaken van de indieningsvereiste voor een te verlenen omgevingsvergunning voor het vellen van bomen op de Bomenlijst;

  3. In het compensatieplan wordt tenminste het volgende opgenomen:

    1. Waar zal worden herplant onderbouwd met verwijzing naar de herplantladder zoals gesteld in artikel 4:12e;

    2. Een omschrijving van de te herplanten boom of bomen met hierin aangegeven ten minste: soortnaam, wetenschappelijke naam, maatvoering, wortel-/kluittype en herkomst van het materiaal;

    3. Een omschrijving van de groeiplaats, zowel boven- en ondergronds, met onderbouwing dat deze groeiplaats van voldoende kwalitatieve waarde is om de te herplanten boom ter plaatse duurzaam te handhaven met inachtneming van de gestelde ambitieleeftijd van 60 jaar;

    4. De invulling van een zorgvuldige nazorg om een succesvolle start van de boom te garanderen. Bomen in openbaar gebied worden na 3 jaar vanuit de ruimtelijke ontwikkeling aan het gemeentelijke beheer overgedragen.

Artikel 4:12g

Bestijding van boomziekten

  1. Indien zich op een terrein één of meer bomen bevinden die naar het oordeel van het bevoegd gezag of door melding aan het licht gekomen zijn gevaar opleveren voor de verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders zoals insecten, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn de boom of bomen te vellen;

  2. De gevelde boom of houtopstand dient conform de richtlijnen van de gemeente direct zodanig te worden behandeld dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen. Het is verboden gevelde bomen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, indien het een boomsoort betreft die een boomziekte kan verspreiden;

  3. Voor het gestelde verbod onder het tweede lid van dit artikel kan een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (een BOPA) worden afgegeven voor de uitvoering van de werkzaamheden;

  4. Het niet voldoen aan de in het eerste lid bedoelde aanschrijving biedt een basis voor de toepassing van bestuursdwang, waarbij de noodzakelijke werkzaamheden, voor risico en voor rekening van aangeschrevene, door of namens de gemeente kunnen worden verricht.

Artikel 4:12h

Beschadigen van bomen en houtopstanden

  1. Het is verboden om bomen en houtopstanden, die publiek eigendom zijn:

    1. te beschadigen, te bekladden of te beplakken;

    2. daaraan snoeiwerk te verrichten, behoudens door de gemeente opgedragen onderhoudstaken.

  2. Het is verboden om één of meer voorwerpen in of aan publieke bomen aan te brengen of anderszins te bevestigen zonder voorafgaande vergunning van het college.

Artikel 4:13

Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen, enz.

  1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:

    1. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

    2. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

    3. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of

    4. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.

  2. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen.

  3. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 4:15

Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame

  1. Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.

  2. Het verbod is niet van toepassing in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging.

Artikel 4:17

Begripsbepaling

In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

Artikel 4:18

Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen

  1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd of mede bestemd.

  2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8. kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van:

    1. de bescherming van natuur en landschap;

    2. de bescherming van een stadsgezicht.

Artikel 4:19

Aanwijzing kampeerplaatsen

  1. Het verbod van artikel 4:18, eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

  2. Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van de gronden, genoemd in artikel 4:18, vierde lid.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening Kaag en Braassem 2012