1. Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  3. Het verbod is niet van toepassing op het in werking hebben van knalapparatuur ter voorkoming van schade aan vruchten en gewassen voor zover voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

    1. het apparaat is in werking tussen 07.00 en 21.00 uur;

    2. met een knalfrequentie van maximaal 10 knallen per uur;

    3. het knalapparaat staat minimaal 50 meter van de openbare weg en minimaal 250 meter van geluidgevoelige objecten van derden;

    4. de loop van het knalapparaat staat van geluidgevoelige objecten af gericht;

    5. het knalapparaat wordt elke 5 dagen tenminste 50 meter verplaatst. Na verplaatsing van het knalapparaat mag deze binnen 5 dagen niet terug worden geplaatst;

    6. voor natuurgebieden grenzend aan agrarische percelen geldt dat het knalapparaat minimaal 100 meter van een gebied met natuurbestemming moet staan, en dat de loop van het apparaat van het natuurgebied af gericht moet staan.

  4. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening.

  5. Het verbod is tevens niet van toepassing op carbidschieten conform artikel 2:73A.

  6. Het verbod is niet van toepassing op geluid veroorzaakt door kerkklokken vanuit bestaande kerkgebouwen.

  7. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.