1. Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor ter voorkoming van verstoring van het bodemarchief een detectorverbod geldt. Deze aanwijzing wordt openbaar bekend gemaakt.

  2. Het is verboden zich anders dan met vergunning van het college met een metaaldetector te bevinden op de onder lid 1 bedoelde terreinen, behoudens het bepaalde in lid 4.

  3. Het bepaalde in het tweede lid is niet van toepassing op degene aan wie ingevolge de Monumentenwet 1988 een opgravingsvergunning is verstrekt.

  4. Het is toegestaan om zich zonder de in lid 2 genoemde vergunning met een metaaldetector te bevinden op de in dat lid genoemde terreinen, mits:

  5. dit niet plaatsvindt in het beschermd stadsgezicht van Geertruidenberg en evenmin op gronden die eigendom zijn van de gemeente Geertruidenberg;

  6. hiervoor schriftelijke toestemming is gegeven door de grondeigenaar, en deze toestemming op verzoek van een medewerker van de gemeente c.q. toezichthouder direct getoond kan worden;

  7. geen diepere bodemverstoring plaatsvindt dan in de bovenste 30 cm van de bodem;

  8. geen sprake is van het met behulp van metaaldetectie uit de grond halen van archeologische resten op een archeologisch monument;

  9. niet wordt opgegraven op een terrein waar een opgraving door een certificaathouder of universiteit plaatsvindt;

  10. er geen sprake is van metaaldetectie onder water c.q. van magneetvissen;

  11. vondsten die worden gedaan met behulp van een metaaldetector overeenkomstig de wet (par 5.4 Erfgoedwet) als archeologische toevalsvondsten worden gemeld. In de provincie Noord-Brabant kan deze melding gedaan worden bij het Provinciaal Meldpunt Bodemvondsten. Ook dient de gemeente hiervan onmiddellijk op de hoogte te worden gesteld, via de beleidsmedewerker monumentenzorg. Na de melding dient gelegenheid te worden geboden de archeologische resten in het veld te onderzoeken en te documenteren.