1. Het is verboden in, op of aan een onroerende zaak een alarminstallatie geïnstalleerd te hebben die een voor de omgeving opvallend geluid- of lichtsignaal kan produceren indien:

    1. dat geluid- of lichtsignaal langer dan 3 minuten onafgebroken duurt;

    2. dat geluid- of lichtsignaal een repeterend karakter heeft;

    3. dat geluidssignaal, gemeten op een afstand van 1 meter van het signaalgevend object, meer bedraagt dan 100 dB(a).

  2. Na 2 nodeloze alarmeringen door een alarminstallatie binnen een tijdsbestek van 6 maanden kan het college bij schriftelijk besluit vorderen, dat de eigenaar of houder van die alarminstallatie binnen een termijn van 2 weken na verzending van dat besluit aantoont dat hij de noodzakelijke maatregelen heeft getroffen ter voorkoming van nodeloze alarmeringen.

  3. Indien de eigenaar of houder van een alarminstallatie als bedoeld in het vorige lid nalaat binnen de in dat lid genoemde termijn aan te tonen, dat hij deugdelijke maatregelen heeft getroffen ter voorkoming van nodeloze alarmeringen, of indien hij dat naar het oordeel van het college onvoldoende aantoont, beveelt het college dat die alarminstallatie onmiddellijk buiten werking wordt gesteld.

  4. Het is verboden een alarminstallatie in werking te hebben, nadat een bevel als bedoeld in het derde lid is uitgevaardigd.

  5. Indien de eigenaar of houder van een alarminstallatie aantoont dat hij alsnog de noodzakelijke maatregelen heeft getroffen ter voorkoming van nodeloze alarmeringen, wordt het bevel als bedoeld in het derde lid ingetrokken.

  6. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet Particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus.