Algemene plaatselijke verordening Dronten 2026 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 15-06-2026, laatste wijziging 15-06-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde
Paragraaf Afdeling 1. Voorkomen of bestrijding van ongeregeldheden
Paragraaf Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
Paragraaf Afdeling 3. Evenementen
Paragraaf Afdeling 4. Toezicht op openbare inrichtingen
Paragraaf Afdeling 5. Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de alcoholwet
Paragraaf Afdeling 6. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Paragraaf Afdeling 7. Toezicht op speelgelegenheden
Paragraaf Afdeling 8. Maatregel ter voorkoming van overlast, gevaar of schade
Paragraaf Afdeling 9. Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Paragraaf Afdeling 10. Consumentenvuurwerk
Paragraaf Afdeling 11. Drugsoverlast
Paragraaf Afdeling 12. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
Hoofdstuk Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente
Hoofdstuk Straf-, overgangs- en slotbepalingen

Paragraaf

Afdeling 8. Maatregel ter voorkoming van overlast, gevaar of schade

Artikel 2:41

Betreden gesloten woning of lokaal

  1. Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

  2. Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.

  3. Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is.

Artikel 2:42

Plakken en kladden

[vervallen, opgenomen in artikel 2:13 van de Verordening fysieke leefomgeving]

Artikel 2:43

Vervoer plakgereedschap e.d.

[vervallen, opgenomen in artikel 2:14 van de Verordening fysieke leefomgeving]

Artikel 2:44

Vervoer inbrekers/diefstal werktuigen

  1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.

  2. Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.

  3. Het is verboden op een openbare plaats voorwerpen bij zich te hebben of kledingstukken te dragen die er kennelijk voor zijn toegerust het plegen van winkeldiefstallen te vergemakkelijken.

  4. Het in derde lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de in dat lid bedoelde voorwerp of kledingstuk niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen.

Artikel 2:45

Betreden van plantsoenen en dergelijke

[vervallen, opgenomen in artikel 2:15 van de Verordening fysieke leefomgeving]

Artikel 2:46

Rijden over bermen e.d.

[vervallen, opgenomen in artikel 2:16 van de Verordening fysieke leefomgeving]

Artikel 2:47

Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen

  1. Het is verboden op een openbare plaats:

    1. te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;

    2. zich op te houden op een wijze die aan andere gebruikers of aan bewoners van nabij die openbare plaats gelegen woningen onnodig overlast of hinder veroorzaakt.

  2. Het is verboden zich zonder redelijk doel op te houden op een bij een schoolgebouw of speelterrein behorend terrein tussen 22.00 en 7.00 uur.

  3. De verboden zoals opgenomen in het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:48

Verboden drankgebruik en glasoverlast

  1. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats, op het openbaar water of in een voor het publiek toegankelijk gebouw, alcoholhoudende dranken te nuttigen of in aangebroken flessen, blikjes en dergelijke bij zich te hebben indien dit gepaard gaat met gedrag dat de openbare orde verstoort, het woon- en leefklimaat aantast of dit anderszins overlast veroorzaakt of indien hiervoor gerechtvaardigde vrees bestaat.

  2. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.

  3. Het verbod is niet van toepassing op:

    1. een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;

    2. de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.

  4. Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, tijdens een door het college aangewezen periode, glaswerk zoals, al dan niet aangebroken flessen, glazen e.d. bij zich te hebben.

  5. Het bepaalde in het vierde lid geldt niet voor glaswerk dat zodanig is verpakt dat het niet voor onmiddellijk gebruik kan worden aangewend.

  6. Onder glaswerk als bedoeld in dit artikel wordt verstaan alle glassoorten die in scherven uiteen kunnen vallen.

Artikel 2:49

Verboden gedrag bij of in gebouwen

  1. Het is verboden:

    1. zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden;

    2. zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.

  2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van zo'n gebouw.

Artikel 2:50

Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten

Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd.

Artikel 2:50a

Messen en andere voorwerpen als steekwapen

  1. Het is verboden op door het college aangewezen openbare plaatsen of in daaraan grenzende voor het publiek openstaande gebouwen of op bij die gebouwen behorende erven messen of andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, bij zich te hebben.

  2. Het verbod geldt niet voor messen of voorwerpen die zodanig zijn ingepakt dat zij niet voor onmiddellijk gebruik gereed zijn.

  3. Dit artikel is niet van toepassing voor zover het wapens betreft als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie.

Artikel 2:51

Neerzetten van fietsen e.d.

[vervallen, opgenomen in artikel 2:17 van de Verordening fysieke leefomgeving]

Artikel 2:52

Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d.

[vervallen, opgenomen in artikel 2:18 van de Verordening fysieke leefomgeving]

Artikel 2:57

Loslopende honden en verboden plaatsen

[vervallen, opgenomen in artikel 2:19 van de Verordening fysieke leefomgeving]

Artikel 2:58

Verontreiniging door honden

[vervallen, opgenomen in artikel 2:20 van de Verordening fysieke leefomgeving]

Artikel 2:58a

Verontreiniging door paarden

  1. De eigenaar, houder of verzorger die zich met een paard op een openbare plaats begeeft, is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van dat paard onmiddellijk worden verwijderd.

  2. De eigenaar, houder of verzorger die zich met een paard op een openbare plaats begeeft is verplicht;

    1. materiaal bij zich te hebben geschikt voor de verwijdering van de uitwerpselen van dat paard; en

    2. dit materiaal op verzoek van een toezichthoudend ambtenaar te laten zien.

  3. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

Artikel 2:59

Gevaarlijke honden

  1. Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.

  2. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.

  3. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die:

    1. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;

    2. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en

    3. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.

  4. Onverminderd artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.

Artikel 2:59a

Gevaarlijke honden op eigen terrein

  1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2:59, eerste lid of heeft meegedeeld dat hij de hond gevaarlijk acht, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk.

  2. Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als:

    1. op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht;

    2. het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden;

    3. en het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen.

Artikel 2:60

Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren

[vervallen, opgenomen in artikel 2:21 van de Verordening fysieke leefomgeving]

Artikel 2:62

Loslopend vee

[vervallen, opgenomen in artikel 2:22 van de Verordening fysieke leefomgeving]

Artikel 2:63

Duiven

[vervallen opgenomen in artikel 2:23 van de Verordening fysieke leefomgeving]

Artikel 2:64

Bijen

[vervallen, opgenomen in artikel 2:24 van de Verordening fysieke leefomgeving]

Artikel 2:65

Bedelarij

Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken.

Artikel 2:65a

Detectieverbod

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.2 Besluit Erfgoedwet archeologie is het verboden zonder ontheffing van de burgemeester in het openbaar een metaaldetector of enig ander voorwerp, bestemd voor het opsporen van metalen voorwerpen te gebruiken of voor onmiddellijk gebruik voorhanden te hebben.

  2. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. De ontheffing kan worden geweigerd:

    1. in het belang van de bescherming van archeologische waarden;

    2. in het belang van de bescherming van ander cultureel erfgoed;

    3. ter bescherming van de woon- of leefomgeving;

    4. in verband met de veiligheid van personen of goederen;

    5. in het belang van de openbare orde.

  3. De burgemeester kan algemene regels vaststellen op basis waarvan ontheffingen worden verleend als bedoeld in het tweede lid. Deze regels kunnen onder meer betrekking hebben op de wijze waarop van de ontheffing gebruik wordt gemaakt en de eisen waaraan een ontheffinghouder moet voldoen.

  4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor degenen aan wie ingevolge artikel 5.2 van de Erfgoedwet een certificaat is verstrekt en personen, bedrijven en instellingen als bedoeld in artikel 4.10, vijfde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

  5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. Awb niet van toepassing.

← terug naar Algemene plaatselijke verordening Dronten 2026