Algemene plaatselijke verordening Dronten 2026 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 15-06-2026, laatste wijziging 15-06-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde
Paragraaf Afdeling 1. Voorkomen of bestrijding van ongeregeldheden
Paragraaf Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
Paragraaf Afdeling 3. Evenementen
Paragraaf Afdeling 4. Toezicht op openbare inrichtingen
Paragraaf Afdeling 5. Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de alcoholwet
Paragraaf Afdeling 6. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Paragraaf Afdeling 7. Toezicht op speelgelegenheden
Paragraaf Afdeling 8. Maatregel ter voorkoming van overlast, gevaar of schade
Paragraaf Afdeling 9. Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Paragraaf Afdeling 10. Consumentenvuurwerk
Paragraaf Afdeling 11. Drugsoverlast
Paragraaf Afdeling 12. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
Hoofdstuk Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente
Hoofdstuk Straf-, overgangs- en slotbepalingen

Paragraaf

Afdeling 4. Toezicht op openbare inrichtingen

Artikel 2:27

Definitie

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. Openbare inrichting:

    1. een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, afhaalzaak, discotheek, buurthuis of clubhuis, of

    2. elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt.

    3. een terras dat in de directe nabijheid van een openbare inrichting, zoals onder i. of ii. is beschreven, is gelegen.

  2. Vergunninghouder: de ondernemer - rechtspersoon of natuurlijke persoon - zoals ingeschreven bij de Kamer van Koophandel voor wiens rekening en risico het horecabedrijf wordt geëxploiteerd.

  3. Leidinggevende:

    1. de (rechts)persoon voor wiens rekening en risico de openbare inrichting wordt geëxploiteerd.

    2. de natuurlijke persoon die algemene of onmiddellijke leiding geeft aan een openbare inrichting.

Artikel 2:27a

Indieningsvereisten

  1. De aanvraag voor een vergunning voor het exploiteren van een openbare inrichting geschiedt door middel van een door de burgemeester vastgesteld formulier.

  2. Bij de aanvraag dienen in ieder geval de volgende gegevens te worden overgelegd:

    1. Het adres van de openbare inrichting;

    2. De aard van de openbare inrichting;

    3. De vergunninghouder van de openbare inrichting;

    4. een nauwkeurige beschrijving en plattegrond met duidelijke maatvoering van de indeling van de openbare inrichting en als het ook om een terras gaat een nauwkeurige beschrijving en plattegrond met duidelijke maatvoering van de ligging en omvang van dat terras.

  3. Indien de burgemeester dat voor de beoordeling van de aanvraag nodig acht kan hij de overlegging van aanvullende documenten en gegevens verzoeken.

Artikel 2:28

Exploitatievergunning openbare inrichting

  1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

  2. Het is verboden de aard van de openbare inrichting te wijzigen zonder een daartoe strekkende vergunning.

  3. De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan.

  4. De burgemeester weigert de vergunning/ bijschrijving indien de exploitant(en) en/of leidinggevenden van de openbare inrichting:

    1. de leeftijd van eenentwintig jaar niet hebben bereikt;

    2. in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn;

    3. onder curatele staan.

  5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien:

    1. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed;

    2. redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; of

    3. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat in strijd zal worden gehandeld met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften.

  6. Voor openbare inrichtingen waarvan de vergunning vanwege de openbare orde of de woon- en leefsituatie is ingetrokken, kan worden bepaald dat een vergunning voor die openbare inrichting (locatie) gedurende een bij die intrekking genoemde termijn voor maximaal twee jaar wordt geweigerd.

  7. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in:

    1. Een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet, voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit.

    2. Een gemeentelijk buurtcentrum, voor zover niet geëxploiteerd door een commerciële partij.

    3. Kinderboerderijen en educatieve tuinen.

    4. Musea.

    5. Kerken.

    6. Kantoorkantines/bedrijfsrestaurants.

    7. Zorginstellingen.

    8. Onderwijsinstellingen.

    9. Uitvaartcentra.

  8. Burgemeester kan besluiten dat de vrijstelling van lid 7 komt te vervallen in geval van overlast.

  9. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de aanvraag vergunning bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2:28a

Terrassen bij openbare inrichtingen zonder exploitatievergunning

  1. Indien een openbare inrichting waarvoor op grond van artikel 2:28 geen exploitatievergunning is vereist, beschikt over een terras, is het verboden om dit terras te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

  2. De burgemeester kan gebieden aanwijzen waar dit verbod niet geldt.

  3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de in het eerste lid bedoelde vergunning weigeren indien:

    1. het beoogde gebruik gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare ruimte of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud daarvan of schade toebrengt aan de openbare ruimte.

    2. het woon- en leefklimaat of de openbare orde in de omgeving van het terras op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de in het eerste lid genoemde vergunning wijzigen indien de ligging of de afmetingen van het terras, door verandering in de omstandigheden wijzigen.

  5. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing

Artikel 2:28b

Intrekkingsgronden

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 wordt een exploitatievergunning ingetrokken als:

    1. de vergunning is verleend op grond van door de exploitant verstrekte onjuiste of onvolledige informatie en een ander besluit op de aanvraag zou zijn genomen indien bij het nemen daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;

    2. een exploitant/leidinggevende niet langer voldoet aan de eisen, zoals die zijn vermeld in artikel 2:28 vierde lid;

    3. zich in of in de nabijheid van de openbare inrichting feiten hebben voorgedaan, die - naar het oordeel van de burgemeester – de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, de veiligheid, de volksgezondheid, het woon- en leefklimaat of de zedelijkheid;

    4. indien voor de exploitatie van een openbare inrichting tevens een vergunning op basis van de Alcoholwet is vereist en deze vergunning is ingetrokken.

  2. Een exploitatievergunning kan worden ingetrokken:

    1. als is of wordt gehandeld in strijd met de verleende vergunning en/of de daaraan verbonden voorschriften;

    2. als niet langer wordt voldaan aan de eisen die bij of krachtens deze verordening zijn bepaald;

    3. als in een openbare inrichting de functie van leidinggevende wordt uitgeoefend door een persoon, die niet op de vergunning met betrekking tot dat bedrijf als zodanig is vermeld;

    4. op verzoek van de exploitant.

  3. Ten aanzien van openbare inrichtingen waarvan de exploitatievergunningen ingevolge het eerste lid onder c van dit artikel wordt ingetrokken kan tevens worden bepaald dat een exploitatievergunning voor de desbetreffende locatie gedurende een bepaalde termijn van maximaal vijf jaar zal worden geweigerd.

Artikel 2:28c

Vervallen vergunning

De exploitatievergunning vervalt wanneer:

  1. de exploitatie van de openbare inrichting feitelijk is beëindigd of (gedeeltelijk) is overgedragen;

  2. zes maanden zijn verlopen na het onherroepelijk worden van de exploitatievergunning, zonder dat van deze vergunning gebruik is gemaakt;

  3. gedurende één jaar anders dan wegens overmacht geen gebruik is gemaakt van de exploitatievergunning.

Artikel 2:29

Sluitingstijd

  1. Het is de exploitant van een paracommerciële rechtspersoon verboden deze voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in het horecabedrijf te laten verblijven tussen 02.00 uur en 06.00 uur.

  2. De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijke instelling of een daartoe behorend terras.

  3. Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.

  4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:30

Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.

Artikel 2:31

Verboden gedragingen

Het is verboden in een openbare inrichting:

  1. De orde te verstoren;

  2. zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid;

  3. op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras;

Artikel 2:31a

Aanwezigheid leidinggevende

  1. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben indien niet in deze inrichting aanwezig is:

    1. een leidinggevende die als zodanig op (het aanhangsel bij) de vergunning staat vermeld, dan wel

    2. een persoon wiens bijschrijving op grond van artikel 2:31b is gemeld, mits de ontvangst van die melding is bevestigd, zolang niet op die melding is beslist.

  2. Deze bepaling is niet van toepassing op situatie waarin wordt voorzien bij of krachtens de Alcoholwet.

Artikel 2:31b

Melden bijschrijven leidinggevende

  1. De vergunninghouder meldt aan de burgemeester welke persoon hij verzoekt als leidinggevende bij te schrijven. Bijschrijving van een persoon waaraan een vergunning geweigerd zou worden op grond van het bepaalde in artikel 2:28 lid 4, is niet mogelijk.

  2. De ontvangst van de melding wordt onverwijld bevestigd.

  3. Direct na bevestiging van ontvangst van de melding mag de leidinggevende als zodanig werkzaam zijn.

Artikel 2:32

Handel binnen openbare inrichtingen

De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.

Artikel 2:33

Het college als bevoegd bestuursorgaan

Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college op als bevoegd bestuursorgaan voor de toepassing van artikel 2:28 tot en met 2:30.

← terug naar Algemene plaatselijke verordening Dronten 2026