Algemene plaatselijke verordening Dongen 2022 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
Paragraaf Afdeling 1. Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Paragraaf Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
Paragraaf Afdeling 3. Evenementen
Paragraaf Afdeling 4. Toezicht op openbare inrichtingen
Paragraaf Afdeling 5. Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet
Paragraaf Afdeling 6. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Paragraaf Afdeling 7. Toezicht op speelgelegenheden
Paragraaf Afdeling 7A. Toezicht op smartshops, headshops, belshops/belwinkels en internetcafés
Paragraaf Afdeling 7B. Toezicht op bedrijfsmatige activiteiten en gebouwen
Paragraaf Afdeling 8. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade
Paragraaf Afdeling 9. Bestrijding van heling van goederen
Paragraaf Afdeling 10. Consumentenvuurwerk en carbidschieten
Paragraaf Afdeling 11. Drugsoverlast
Paragraaf Afdeling 12. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
Hoofdstuk Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente
Hoofdstuk Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen

Hoofdstuk

Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu

Artikel 2:1

Samenscholing en ongeregeldheden

  1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.

  2. Degene die op een openbare plaats:

  3. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;

  4. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of

  5. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;

  6. is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

  7. Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.

  8. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid.

  9. Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

Artikel 2:3

Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen

  1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 72 uren voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.

  2. De kennisgeving bevat:

  3. naam en adres van degene die de betoging houdt;

  4. het doel van de betoging;

  5. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;

  6. de plaats en, voor zover van toepassing, de route;

  7. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en

  8. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.

  9. Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.

  10. Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur.

  11. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.

Artikel 2:6

Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen

  1. Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen.

  2. Het college kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.

  3. Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen.

  4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:9

Vertoningen op openbare plaatsen

  1. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu aangewezen openbare plaatsen.

  2. De burgemeester kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.

  3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.

  4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:10

Voorwerpen op of aan een openbare plaats

  1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik:

  2. schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of

  3. niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.

  4. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet ten minste een vrije doorgang van 1,50 strekkende meter wordt gelaten op voetpaden en van 3,50 strekkende meter op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer.

  5. Het college kan in het belang van de openbare orde, of de woon- en leefomgeving of de verkeersveiligheid nadere regels stellen Ten aanzien van het plaatsen van voorwerpen op of aan de openbare weg.

  6. Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod.

  7. Het verbod is niet van toepassing op:

  8. evenementen als bedoeld in artikel 2:24;

  9. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17;

  10. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.

  11. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:11

(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg

  2. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.

  3. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

Artikel 2:11a

Aanleg of wijziging van een EV kabelgoottegel

  1. Onder een EV kabelgoottegel wordt verstaan een tegel met een uitsparing voorzien van rubber waarin een laadkabel veilig geborgen kan worden.

  2. Het is verboden om zonder vergunning van het college een EV kabelgoottegel aan te leggen of veranderingen aan te brengen in een bestaande EV kabelgoottegel. Artikel 2:11 is van overeenkomstige toepassing.

  3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd indien:

    1. er al een EV kabelgoottegel aanwezig is behorende bij het perceel;

    2. het trottoir niet rechtstreeks grenst aan een openbaar toegankelijke parkeerplaats of rijbaan waar parkeren is toegestaan;

    3. het openbaar groen, een rijbaan of fietspad wordt doorkruist;

    4. het ter plaatse aanwezige oplaadpunt niet staat of hangt op eigen terrein;

  1. de lengte die de laadkabel moet overbruggen op gemeentegrond niet meer bedraagt dan 6 meter.

Artikel 2:12

Maken of veranderen van een uitweg

  1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

  2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd:

  3. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;

  4. als door de uitweg de bruikbaarheid van de weg wordt aangetast;

  5. als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;

  6. als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of

  7. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.

  8. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid kan de vergunning worden geweigerd als door een uitweg of verandering van een bestaande uitweg een niet openbare parkeerplaats ontstaat of kan ontstaan in strijd is met een geldend bestemmingplan.

  9. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.

Artikel 2:13

Hinderlijke voorwerpen, modder of stoffen op de weg

  1. Het is verboden op een weg voorwerpen, modder of stoffen die aanleiding kunnen geven tot verontreiniging, beschadiging of slechte afwatering van de weg of tot gevaarlijke situatie op de weg kunnen leiden, in directe of indirecte zin te plaatsen, te werpen, uit te gieten, over te brengen, te laten afvloeien of te laten vallen.

  2. In het belang van de orde en netheid van de weg, de veiligheid van het verkeer, het voorkomen van beschadiging van het wegdek en de afwatering van de weg is het degene, door wiens handelen of toedoen een of meer voorwerpen, modder of stoffen als bedoeld in het eerste lid op een weg zijn geraakt, verboden deze daarop te laten.

  3. Met het oog op deze belangen dient de in het tweede lid bedoelde persoon de weg terstond dan wel op aanwijzing van een toezichthouder die krachtens artikel 6:2 met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde is belast te ontdoen of te laten ontdoen van voorwerpen of stoffen als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2:14

Winkelwagentjes

  1. Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt, is verplicht deze:

  2. te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken; en

  3. terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving van dat bedrijf.

  4. Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten.

  5. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet.

Artikel 2:15

Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.

Artikel 2:16

Openen straatkolken en dergelijke

Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.

Artikel 2:18

Rookverbod in bossen en natuurterreinen

  1. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan:

  2. te roken gedurende een door het college aangewezen periode;

  3. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.

  4. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3˚, van het Wetboek van Strafrecht.

  5. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.

Artikel 2:21

Voorzieningen voor verkeer en verlichting

  1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorziendoor hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.

Artikel 2:22

Objecten onder hoogspanningslijn

  1. Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat.

  3. Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.

Artikel 2:23

Veiligheid op het ijs

  1. Het is verboden:

  2. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;

  3. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.

  4. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 2:23a

Slapen op een openbare plaats

  1. Het is verboden op een openbare plaats een voertuig, woonwagen, tent of ander onderkomen als slaapplaats te gebruiken, daarin te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden.

  2. Het college kan van het verbod in het eerste lid ontheffing verlenen of plaatsen aanwijzen waar het verbod niet geldt.

  3. Het verbod uit het eerste lid geldt niet voor:

  4. vrachtwagenchauffeurs die bij de uitoefening van hun beroep in de cabine van hun vrachtwagen overnachten;

  5. het plaatsen van een kampeermiddel voor het gebruik op eigen terrein door de rechthebbende van datzelfde terrein;

  6. het plaatsen van een kampeermiddel door nachtvissers aan nachtviswateren.

Artikel 2:24

Definities

  1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:

  2. bioscoop- en theatervoorstellingen;

  3. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22;

  4. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;

  5. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;

  6. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

  7. activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9 en 2:39;

  8. sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f.

  9. Onder evenement wordt mede verstaan:

  10. een herdenkingsplechtigheid;

  11. een braderie;

  12. een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3;

  13. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;

  14. een straatfeest of buurtbarbecue;

  15. een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s.

  16. In deze afdeling wordt onder klein evenement verstaan een eendaags evenement waarbij:

  17. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 100 personen;

  18. de activiteiten plaatsvinden tussen 10:00 en 24:00 uur;

  19. geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 07.00 uur of na 23.00 uur, dan wel in dit tijdsbestek het maximaal toelaatbare geluidsniveau van 40 dB(A) op de gevels van omringende woningen niet wordt overschreden;

  20. de activiteiten niet plaatsvinden op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormen voor het verkeer en de hulpdiensten; en

  21. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 18 vierkante meter per object.

Artikel 2:25

Evenementenvergunning

  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.

  2. (Gereserveerd)

  3. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, als de organisator ten minste veertien werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester.

  4. Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor optredens op de zogenoemde optreedlocaties in park Vredeoord (Dongen), het Looiersplein (Dongen), het Europaplein (Dongen), het Rembrandtplein (Dongen) en het Dorpsplein (Klein-Dongen-Vaart) indien:

    1. het optreden wordt georganiseerd door een Dongense vereniging of stichting;

    2. per optreedlocatie maximaal 10 optredens per kalenderjaar plaatsvinden;

    3. het aantal aanwezigen per optreden niet meer dan 200 bedraagt;

    4. het geluid, over lange tijd gemeten op de gevel van omliggende gebouwen, gemiddeld tijdens een optreden niet boven 70 dB(A) en 85 dB(C) uitkomt;

    5. het optreden plaatsvindt op vrijdag, zaterdag of zondag tussen de periode 1 april en 30 september;

    6. het optreden op vrijdag en zaterdag plaatsvindt tussen 10.00 uur en 24.00 uur;

    7. het optreden op zondag plaatsvindt tussen 10.00 uur en 20.00 uur.

  5. De burgemeester kan binnen vijf dagen na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

  6. Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994.

  7. Het derde lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:24, tweede lid, onder f, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s.

  8. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder f, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

  9. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:26

Ordeverstoring

Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.

Artikel 2:27

Definitie

  1. In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis, clubhuis, afhaalrestaurant of bezorgrestaurant of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt.

  2. Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte.

Artikel 2:28

Exploitatie openbare inrichting

  1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

  2. De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan.

  3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat:

  4. de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of

  5. de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

  1. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een:

  2. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;

  3. zorginstelling;

  4. museum; of

  5. bedrijfskantine of -restaurant.

  6. (Gereserveerd)

  7. (Gereserveerd)

  8. Op de aanvraag om een vergunning of vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:28a

Overgangsregeling exploitatie openbare inrichting

  1. Het verbod van artikel 2:28, eerste lid, geldt tot één jaar na inwerkingtreding van de Algemene plaatselijke verordening Dongen 2022 niet voor:

  2. een openbare inrichting die van de vergunningplicht is vrijgesteld in het Uitvoeringsbesluit APV gemeente Dongen, Opheffen vergunningplicht expoloitatie openbare inrichting van 12 december 2013, zoals dat luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Algemene plaatselijke verordening Dongen 2022;

  3. een openbare inrichting waaraan op grond van artikel 2:28, vijfde lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) voor de gemeente Dongen een vrijstelling van het verbod is verleend van artikel 2:28, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) voor de gemeente Dongen, zoals deze luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Algemene plaatselijke verordening Dongen 2022.

  4. De exploitant van een openbare inrichting als bedoeld in het eerste lid is verplicht om binnen één jaar na inwerkingtreding van de Algemene plaatselijke verordening Dongen 2022 een aanvraag om een exploitatievergunning in te dienen.

  5. Tot op de aanvraag is beslist, wordt de exploitant van een openbare inrichting geacht niet te handelen in strijd met het verbod van artikel 2:28, eerste lid.

  6. Voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een exploitatievergunning als bedoeld in het tweede lid worden geen leges geheven.

Artikel 2:29

Sluitingstijd

  1. Openbare inrichtingen zijn gesloten tussen 2:00 uur en 5:00 uur.

  2. Openbare inrichtingen behorende bij of op een sportveld c.q. park/accommodaties (kantines/clubhuizen) zijn gesloten op maandag tot en met zondag tussen 24:00 uur en 5:00 uur.

  3. Openbare inrichtingen die gebruikt worden voor sociaal/culturele doeleinden (ontmoetings-, jeugd- en buurtcentra e.d.) zijn gesloten op maandag tot en met zondag tussen 1:00 uur en 5:00 uur.

  1. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd.

  2. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd.

  3. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, vierde lid, aanhef en onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel.

  4. Het eerste, tweede, derde en vijfde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Omgevingswet is voorzien.

  5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:30

Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.

Artikel 2:31

Verboden gedragingen

Het is verboden in een openbare inrichting:

  1. de orde te verstoren;

  2. zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid;

  3. op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras.

Artikel 2:32

Handel binnen openbare inrichtingen

De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.

Artikel 2:33

Het college als bevoegd bestuursorgaan

Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van de artikelen 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.

Artikel 2:34a

Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • alcoholhoudende drank;

  • horecabedrijf;

  • horecalokaliteit;

  • inrichting;

  • paracommerciële rechtspersoon;

  • sterke drank;

  • slijtersbedrijf;

  • zwak-alcoholhoudende drank;

dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet.

Artikel 2:34b

Regulering paracommerciële rechtspersonen

  1. Een paracommercieel rechtspersoon die zich voornamelijk richt op het organiseren van activiteiten van sportieve aard kan onverminderd artikel 2:29 alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken vanaf één uur voor de aanvang en tot uiterlijk vier uren na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon.

  2. Een paracommercieel rechtspersoon die zich voornamelijk richt op het organiseren van activiteiten waarbij het faciliteren van sociale interactie een voorname rol speelt, kan onverminderd artikel 2:29 alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken vanaf één uur voor de aanvang en tot uiterlijk één uur na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon.

  1. Overige paracommerciële rechtspersonen kunnen onverminderd 2:29 alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken vanaf één uren voor de aanvang en tot uiterlijk één uren na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon.

  2. Een paracommercieel rechtspersoon verstrekt geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.

Artikel 2:34c

Beperkingen voor horecabedrijven en slijtersbedrijven

De burgemeester kan in het belang van de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid of de volksgezondheid aan een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet voorschriften verbinden en de vergunning beperken tot het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank.

Artikel 2:34e

Beperkingen voor andere detailhandel dan slijtersbedrijven

(Gereserveerd)

Artikel 2:34f

Verbod ‘happy hours’

Het is verboden in een horecalokaliteit of op een terras bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die daar gewoonlijk wordt gevraagd.

Artikel 2:35

Definitie

In deze afdeling wordt onder inrichting verstaan elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.

Artikel 2:36

Kennisgeving exploitatie

Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht daarvan binnen drie dagen daarna schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.

Artikel 2:38

Verschaffing gegevens nachtregister

Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.

Artikel 2:38a

Definities

  1. In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.

  2. In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet.

Artikel 2:39

Speelgelegenheden

  1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen of de Verordening speelautomatenhallen Dongen.

  3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als:

  4. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of

  5. de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het omgevingsplan.

  6. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:40

Kansspelautomaten

  1. In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan.

  2. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.

Artikel 2:40a

Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. inrichting: een voor het publiek toegankelijke ruimte waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet handelingen en/of werkzaamheden worden verricht die zijn aan te merken als het exploiteren van hetgeen in het maatschappelijk verkeer wordt aangeduid als smartshop, headshop, belshop/belwinkel of internetcafé;

  2. exploitant: degene die een inrichting exploiteert.

Artikel 2:40b

Maximumstelsel

Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het maximale aantal inrichtingen, al dan niet categorisch.

Artikel 2:40c

Vergunningplicht

  1. Het is verboden een inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

  2. De aanvraag om vergunning dient te geschieden met een door de burgemeester vastgesteld formulier.

  3. De vergunning wordt alleen aan natuurlijke personen verleend.

  4. De vergunning wordt uitsluitend verleend aan de exploitant en kan niet worden overgedragen.

Artikel 2:40d

Gedragseisen

De exploitant van een inrichting:

  1. staat niet onder curatele en is niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij;

  2. is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag, en

  3. heeft de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.

Artikel 2:40e

Weigeringsgronden

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd:

  1. indien de exploitant niet voldoet aan de in artikel 2:40d gestelde eisen;

  2. indien de exploitant of beheerder binnen drie jaar voor de aanvraag een inrichting heeft geëxploiteerd die op grond van (ernstige vrees voor) verstoring van de openbare orde, dan wel op grond van artikel 13b van de Opiumwet, gesloten is geweest;

  3. indien de vestiging of de exploitatie van de inrichting in strijd is met het omgevingsplan;

  4. indien de vestiging of exploitatie strijd oplevert met de nadere regels als bedoeld in artikel 2:40b;

  5. indien naar het oordeel van de burgemeester moet worden aangenomen dat het woon- en leefklimaat in de omgeving van de inrichting en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de inrichting;

  6. indien de inrichting binnen een straal van 250 meter van gevoelige objecten zoals scholen, buurthuizen of jongerencentra gevestigd is;

  7. in het geval en onder voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

Artikel 2:40f

Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting

De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden, ter zijner beoordeling, voor één of meer inrichtingen, tijdelijk andere dan de voor de betreffende inrichting(en) geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijke sluiting bevelen.

Artikel 2:40g

Sluiting

De burgemeester kan een inrichting, al dan niet voor een bepaalde termijn, gesloten verklaren indien:

  1. de exploitant handelt in strijd met het bepaalde in de artikelen 2:40c, eerste lid, of 2:40d, onder a en b;

  2. de exploitant handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften.

Artikel 2:40h

Aanwezigheid in gesloten inrichting

  1. Het is verboden gedurende de tijd dat een inrichting ingevolge de reguliere sluitingstijden of krachtens een op grond van artikel 2:40f dan wel 2:40g genomen besluit voor bezoekers gesloten dient te zijn, zich als bezoeker daarin te bevinden.

  2. Het is de exploitant verboden gedurende de tijd dat een inrichting ingevolge de reguliere sluitingstijden, of krachtens een op grond van artikel 2:40f danwel 2:40g genomen besluit voor bezoekers gesloten dient te zijn, de inrichting voor bezoekers geopend te hebben of daarin één of meer bezoekers toe te laten of te laten verblijven.

Artikel 2:40i

Intrekking vergunning

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 wordt de vergunning ingetrokken indien:

  1. de exploitatie van de inrichting door een andere dan de in de vergunning genoemde houder wordt overgenomen;

  2. de exploitant niet meer voldoet aan de in artikel 2:40d, onder a en b gestelde eisen.

Artikel 2:40j

Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemingsklimaat

  1. In dit artikel wordt verstaan onder:

  2. Exploitant: natuurlijke persoon of personen of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

  3. Beheerder: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen die de feitelijke leiding hebben over de bedrijfsmatige activiteiten;

  4. Bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor publiek toegankelijk gebouw, of een daarbij behorend perceel, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.

  5. De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing kan zich tot een of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend voor de gehele gemeente aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat.

  6. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen:

  7. in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester genoemde bedrijfsmatige activiteiten, of;

  8. indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft.

  9. De burgemeester kan een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren:

  10. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;

  11. indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;

  12. Indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

  13. Indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met de aanvraag in overeenstemming zal zijn;

  14. Indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

  15. Indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan of de Wet milieubeheer;

  16. Indien een of meer beheerders van het bedrijf binnen 3 jaar vóór de indiening van de vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken.

  17. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen indien:

  18. door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast, of;

  19. door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze va de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed, of;

  20. de voorwaarden uit de vergunning niet worden nageleefd, of;

  21. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is, of;

  22. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf danwel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed, of;

  23. er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden, of;

  24. er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde, of;

  25. de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd danwel sprake is van gewijzigde exploitatie, of;

  26. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is.

  27. De burgemeester kan de sluiting van het bedrijf bevelen indien een bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd.

  28. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het zesde lid van deze bepaling gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven.

  29. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven.

  30. De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de inde vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als het bedrijf aan de vereisten voldoet.

  31. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde beheerder in het bedrijf aanwezig is.

  32. In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is.

  33. Op de vergunning als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van e Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:41

Betreden gesloten woning of lokaal

  1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

  2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.

  3. Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is.

Artikel 2:42

Plakken en kladden

  1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

  2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:

  3. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;

  4. met onder andere kalk, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.

  5. Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

  6. De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht deze aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.

  7. Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

  8. Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

  9. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.

Artikel 2:43

Vervoer plakgereedschap en dergelijke

  1. Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben.

  2. Het verbod is niet van toepassing als de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.

Artikel 2:44

Vervoer inbrekerswerktuigen

  1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.

  2. Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.

Artikel 2:45

Betreden van plantsoenen en dergelijke

  1. Het is verboden zonder ontheffing van het college zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken, grasperken of buiten de daarin gelegen wegen of paden.

  2. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.

Artikel 2:46

Rijden over bermen en dergelijke

  1. Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg, tenzij dit door de omstandigheden redelijkerwijs wordt vereist.

  2. Dit verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.

Artikel 2:47

Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen

  1. Het is verboden op een openbare plaats:

  2. te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;

  3. zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt.

  4. zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een openbare plaats, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze openbare plaats is bestemd.

  5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:48

Verboden drankgebruik

  1. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.

  2. Het verbod is niet van toepassing op:

  3. een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;

  4. een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.

Artikel 2:49

Verboden gedrag bij of in gebouwen

  1. Het is verboden zonder redelijk doel:

  2. zich in een portiek of poort op te houden;

  3. in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.

  4. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.

Artikel 2:50

Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten

Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval verstaan portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.

Artikel 2:51

Neerzetten van fietsen of bromfietsen

Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek als dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek of als daardoor die ingang versperd wordt.

Artikel 2:52

Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijke

Het is verboden zich op door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen met een fiets, bromfiets of gelijksoortig voertuig te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.

Artikel 2:53

Bespieden van personen

  1. Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon of een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon of een persoon die zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindt, te bespieden.

  2. Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een persoon die zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindt te bespieden.

  3. Het is verboden op of aan de openbare weg dan wel in een voor publiek toegankelijke ruimte een persoon heimelijk te filmen of heimelijk te fotograferen door middel van een technisch hulpmiddel wanneer dit een aantasting van de eerbaarheid of een inbreuk op de persoonlijk levenssfeer oplevert.

Artikel 2:57

Loslopende honden

  1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:

  2. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;

  3. binnen de bebouwde kom op een openbare plaats als de hond niet is aangelijnd;

  4. buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als de hond niet is aangelijnd;

  5. op de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.

  6. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

  7. Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.

Artikel 2:58

Verontreiniging door honden

  1. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft, is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

Artikel 2:59

Gevaarlijke honden

Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.

  1. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.

  2. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die:

  3. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;

  4. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en

  5. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.

  6. Onverminderd artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.

Artikel 2:60

Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren

  1. Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:

  2. aanwezig te hebben;

  3. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels;

  4. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in het aanwijzingsbesluit is aangegeven; of

  5. te voeren.

  6. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen plaats ontheffing verlenen van een of meer verboden als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2:62

Loslopend vee

De rechthebbende op herkauwende of eenhoevige dieren of varkens die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.

Artikel 2:65

Bedelarij

Het is verboden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken in door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast aangewezen gebieden.

Artikel 2:66

Definitie

In deze afdeling wordt onder handelaar verstaan de handelaar aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:67

Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister

  1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en door de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen:

  2. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

  3. de datum van verkoop of overdracht van het goed;

  4. een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed;

  5. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en

  6. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.

  7. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen.

  8. Op de aanvraag om een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:68

Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht

De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:

  1. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:

  2. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;

  3. van een verandering van de onder 1o bedoelde adressen;

  4. dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;

  5. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan.

  1. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;

  2. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;

  3. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

Artikel 2:71

Definitie

In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.

Artikel 2:72

Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen

  1. Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder vergunning van het college.

  2. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:73

Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling

  1. Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van het voorkomen van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.

  2. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.

  3. De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1˚, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:73a

Carbidschieten

  1. Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water, of een gasmengsel met vergelijkbare eigenschappen, op explosieve wijze te verbranden.

  2. Het college kan onder voorwaarden ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod voor locaties binnen de bebouwde kom.

  3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor locaties buiten de bebouwde kom indien:

  4. Gebruik wordt gemaakt van vaten met een inhoud van maximaal 50 liter, en

  5. De vaten zijn afgesloten met zacht materiaal (plastic bal of zak), en

  6. Het vrije schootsveld minimaal 75 meter is en hierin geen openbare wegen op paden liggen, en

  7. Het gebruik plaatsvindt op 31 december tussen 18.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daarop volgende jaar, en

  8. Geschoten wordt in de richting die is afgewend van woonbebouwing, en

  9. De betreffende locatie is gelegen op een afstand van tenminste:

  10. 75 meter van woonbebouwing, en

  11. 300 meter van inrichtingen van intramurale zorg, en

  12. 300 meter van inrichtingen waar dieren worden gehouden;

  13. Het schietterrein duidelijk wordt afgezet met linten of ander vergelijkbaar materiaal.

  14. Het college kan ter voorkoming van gevaar, schade of overlast of in het belang van de natuurbescherming plaatsen aanwijzen waar het gestelde in het tweede en derde lid niet van toepassing is.

  15. Het verbod in het eerste lid geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:74

Drugshandel op straat

Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Artikel 2:74a

Openlijk drugsgebruik

Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.

Artikel 2:75

Bestuurlijke ophouding

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats als deze personen het bepaalde in de artikelen 2:1, 2:10, 2:16, 2:18, 2:23, 2:26, 2:31, 2:41, 2:42, 2:45, 2:47, 2:48, 2:48a, 2:49, 2:50, 2:73, 2:74, 2:74a, 4:18, 5:34 en 5:34a groepsgewijs niet naleven.

Artikel 2:76

Veiligheidsrisicogebieden

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.

Artikel 2:77

Cameratoezicht op openbare plaatsen

  1. De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.

  2. De burgemeester heeft die bevoegdheid eveneens ten aanzien van andere plaatsen die voor een ieder toegankelijk zijn.

Artikel 2:78

Gebiedsontzeggingen

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een bevel geven zich gedurende ten hoogste 48 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.

  2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste twaalf weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.

  3. Een bevel als bedoeld in het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling binnen twaalfmaanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt.

  4. De burgemeester beperkt de krachtens het eerste of tweede lid gegeven bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.

Artikel 2:79

Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet

  1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

  2. De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lidin ieder gevalopleggenbij ernstige en herhaaldelijke:

  3. geluid- of geurhinder;

  4. hinder van dieren;

  5. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn;

  6. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf;

  7. intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.

Artikel 2:79a

Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen

  1. De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, of voor het publiek openstaande gebouwen en/of de daarbij behorende erven in bepaald gebied, in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten.

  2. Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting tevens bekendgemaakt door een schrijven, waaruit het bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de toegang(en) van het gebouw of het erf.

  3. Een sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

  4. Het is de rechthebbende op het gebouw en/of het erf, verboden om, nadat het bevel tot sluiting bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven.

  5. Het is een ieder verboden om, nadat het bevel tot sluiting openbaar bekend gemaakt is op de in het tweede lid aangegeven wijze, in een bij dit bevel gesloten gebouwen en/of erf als bezoeker te verblijven.

  6. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het onderwerp van de regeling van het eerste lid elders wordt voorzien in deze verordening of in artikel 13b van de Opiumwet.

← terug naar Algemene plaatselijke verordening Dongen 2022