1. Het is verboden op een weg voorwerpen, modder of stoffen die aanleiding kunnen geven tot verontreiniging, beschadiging of slechte afwatering van de weg of tot gevaarlijke situatie op de weg kunnen leiden, in directe of indirecte zin te plaatsen, te werpen, uit te gieten, over te brengen, te laten afvloeien of te laten vallen.

  2. In het belang van de orde en netheid van de weg, de veiligheid van het verkeer, het voorkomen van beschadiging van het wegdek en de afwatering van de weg is het degene, door wiens handelen of toedoen een of meer voorwerpen, modder of stoffen als bedoeld in het eerste lid op een weg zijn geraakt, verboden deze daarop te laten.

  3. Met het oog op deze belangen dient de in het tweede lid bedoelde persoon de weg terstond dan wel op aanwijzing van een toezichthouder die krachtens artikel 6:2 met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde is belast te ontdoen of te laten ontdoen van voorwerpen of stoffen als bedoeld in het eerste lid.