Algemene plaatselijke verordening 2012 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 13-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde
Afdeling Bestrijding van ongeregeldheden
Afdeling Betoging
Afdeling Verspreiden van gedrukte stukken
Afdeling Vertoningen e.d. op de weg
Afdeling Bruikbaarheid en aanzien van de weg
Afdeling Veiligheid op de weg
Afdeling Evenementen
Afdeling Toezicht op openbare inrichtingen
Afdeling Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Drank- en Horecawet
Afdeling Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Afdeling Toezicht op speelgelegenheden
AFDELING PERMANENTE KERMIS
Afdeling Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
Afdeling Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Afdeling Vuurwerk
Afdeling Drugsoverlast
Afdeling Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen
Hoofdstuk Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente
Hoofdstuk Straf-, overgangs- en slotbepalingen

Afdeling

Het bewaren van houtopstanden

Artikel 4:10

Begripsbepalingen

1 In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. houtopstand: hakhout, een houtopstand of een of meer bomen, voor zover de stamdiameter gemeten op 1 meter hoogte boven het maaiveld meer bedraagt dan 15 cm.;

  2. hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen;

  3. dunning: velling ter bevordering van het voortbestaan van de houtopstand;

  4. bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Boswet;

  5. achtertuin: het gedeelte van het erf onmiddellijk grenzend aan de achtergevelrooilijn van een eengezinswoning en het verlengde daarvan, tenzij dit deel van het erf direct is gelegen aan de openbare weg;

  6. boomwaardebepaling: de door het college vastgestelde wijze waarop de waarde van bomen wordt bepaald. Daarbij wordt rekening gehouden met de stichtingskosten, de beheerskosten en de omlooptijd van de boom.

2 In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

Artikel 4:11

Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

  1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag de houtopstanden te vellen of te doen vellen.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:

  3. wegbeplantingen en eenrijïge beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit populieren of wilgen tenzij deze zijn geknot;

  4. fruitbomen en windschermen om boomgaarden;

  5. naaldbomen, niet ouder dan twaalf jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen;

  6. kweekgoed;

  7. houtopstand die bij wijze van dunning moet worden geveld;

  8. houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij het Bosschap geregistreerde bosbouwondernemingen en niet gelegen is binnen een bebouwde kom, tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt en ofwel geen grotere oppervlakte beslaat van 10 are, ofwel in geval van rijbeplanting, gerekend over het totale aantal rijen, niet meer bomen omvat dan 20;

  9. houtopstand die moet worden geveld krachtens de plantenziektewet of krachtens een aanschrijving of last van het college, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 4.12d;

  10. houtopstanden met een stamdiameter tot maximaal 30 cm, tenzij de houtopstand is geplant in het kader van een herplantverplichting;

  11. houtopstanden staande in de achtertuin;

  12. In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd op grond van:

  13. de natuurwaarde van de houtopstand;

  14. de landschappelijke waarde van de houtopstand;

  15. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

  16. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

  17. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; of

  18. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.

  19. Voor het bepalen van de diameter van een boom gelden de volgende richtlijnen:

  20. de diameter wordt gemeten op 1,30 meter boven het maaiveld,

  21. bij meerstammigheid geldt als berekening de diametersom van de afzonderlijke stammen.

  22. Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften.

  23. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 4:12

Aanvraag vergunning

  1. De vergunning moet worden aangevraagd door of namens dan wel met toestemming van degene die krachtens zakelijk recht of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken op het daarvoor bestemde aanvraagformulier.

  2. Wanneer de directeur Bos- en Landschapsbouw van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie aan het college een afschrift heeft toegezonden van de ontvangstbevestiging als bedoeld in artikel 2 van de Boswet, beschouwt het bevoegd gezag dit afschrift mede als een vergunningaanvraag.

Artikel 4:12a

intrekken vergunning

Het bevoegde gezag kan op grond van het gestelde in artikel 2.33, tweede lid, onder h van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden intrekken indien binnen 26 weken na het van kracht worden van de vergunning daarvan geen gebruik is gemaakt.

Artikel 4:12b

Herplant-/instandhoudingsplicht

  1. Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van het bevoegde gezag is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het bevoegde gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn.

  2. Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen.

  3. Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het bevoegde gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen.

  4. Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.

  5. Het bevoegde gezag kan bij het opleggen van de herplantplicht de boomwaardebepaling toepassen.

Artikel 4:12c

Bestrijding iepziekte

  1. Dit artikel verstaat onder:

  2. iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C. Moreau);

  3. iepespintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.) en Scolytus multistriatus (Marsh).

  4. Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren voor verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van iepenspintkevers, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn:

  5. indien de iepen in de grond staan, deze te vellen;

  6. de iepen te ontschorsen en de schors te vernietigen;

  7. of de niet ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen.

  8. a. Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren.

  9. Het verbod is niet van toepassing op geheel ontschorst iepenhout en op iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4 cm.

  10. Het college kan ontheffing verlenen van het onder a van dit lid gestelde verbod.

← terug naar Algemene plaatselijke verordening 2012