1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.

  2. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor:

    1. evenementen als bedoeld in artikel 2:24;

    2. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17;

    3. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard;

    4. een bij een openbare inrichting behorend terras als bedoeld in artikel 2:28, lid 8.

  3. Het verbod in het eerste lid is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.

  4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor de door het college nader aangewezen voorwerpen of categorieën van voorwerpen of wegen, mits wordt voldaan aan de nadere regels uit hoofde van het vijfde lid;

  5. Het college kan nadere regels stellen voor de aangewezen voorwerpen, categorieën van voorwerpen of wegen als bedoeld in lid 4.

  6. In dit artikel wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.

  7. De weigeringsgrond van artikel 2:10a onder a geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet.

  8. De weigeringsgrond van artikel 2:10a onder b geldt niet voor bouwwerken.

  9. De weigeringsgrond van artikel 2:10a onder c geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

  10. Op de aanvraag om een vergunning, niet zijnde een omgevingsvergunning, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.