1. Aan de voorschriften, die aan de vergunning te verbinden zijn, kan een bepaalde termijn gesteld worden waarop, overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen, tot herplant moet worden overgegaan.

  2. Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herplant en op welke wijze eventueel niet-aangeslagen beplanting moet worden vervangen.

  3. Van de vergunning mag geen gebruik worden gemaakt gedurende:

    1. de bezwarentermijn van zes weken na de bekendmaking van de vergunning;

    2. twee weken na de beslissing op bezwaar, indien een bezwaarschrift is ingediend;

    3. twee weken na de uitspraak van de bestuursrechter, indien een voorlopige voorziening is aangevraagd.

  4. Van de vergunning mag eveneens geen gebruik worden gemaakt tijdens de periode van 15 maart tot 15 juli, ten zij er geen sprake is van strijdigheid met de Wet Natuurbescherming.