1. In deze afdeling wordt verstaan onder:

    1. boom: een houtachtig overblijvend gewas met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 10 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam.

    2. houtopstand: één of meer bomen of boomvormers, hakhout, houtwallen of andere houtachtige gewassen.

    3. hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen;

    4. boomstructuur: een verzameling houtopstanden die samen een – al dan niet onderbroken – lijn of andere verbindingsstructuur vormen door het gebied. Bijvoorbeeld laanbomen, wegbeplantingen, dijk- en oeverbeplantingen, lintbegroeiingen, esrandbeplantingen, bossingels langs beekdalen, beplantingen langs cultuurhistorische tracés en houtwallen;

    5. laanbeplanting: lijnvormige landschapselementen van bomen met een boomkroon op stam;

    6. boomzone: een (begrensd) gebied van houtopstanden met een specifieke waarde of kwaliteit, dat een samenhangend geheel vormt al dan niet in combinatie met bebouwing of objecten. Bijvoorbeeld een landschap, streek, brink, begraafplaats, park, buitenplaats/landgoed, erf/tuin behorend bij karakteristiek pand, pestbosje, beschermd dorpsgezicht, dorpsrand;

    7. beschermwaardige houtopstand: houtopstand van hoge dendrologische, ecologische, cultuurhistorische waarde, of die vanwege zijn leeftijd en verschijningsvorm beeldbepalend en onvervangbaar is voor het karakter van de omgeving, die is opgenomen op de Bomenlijst;

    8. bomenlijst: de door het college vastgestelde lijst van beschermwaardig houtopstanden, waarin ook de in bestemmingsplannen als zodanig aangegeven beschermwaardige houtopstanden in zijn opgenomen;

    9. vellen: rooien; kappen; verplanten; het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de boom ten gevolge kunnen hebben;

    10. dunning: velling, welke uitsluitend als een verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand moet worden beschouwd;

    11. knotten/kandelaberen: het tot op de oude snoeiplaats verwijderen van uitgelopen takhout bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen als periodiek noodzakelijk onderhoud.