Wetboek van Strafvordering Laatste controle 29-03-2026, laatste wijziging 15-03-2026.

Inhoud
Eerste Boek Algemeene bepalingen
Titel I Strafvordering in het algemeen
Titel II De verdachte
Titel IIa Kennisneming van processtukken
Titel IIb Kennisgeving van gerechtelijke mededelingen
Titel III De raadsman
Titel IIIA Het slachtoffer
Titel IIIC : De deskundige
Titel IV Eenige bijzondere dwangmiddelen
Eerste afdeeling Aanhouding en inverzekeringstelling
Tweede afdeeling Voorloopige hechtenis
Derde afdeeling Inbeslagneming
Vierde afdeeling Handhaving der orde ter gelegenheid van ambtsverrichtingen
Vijfde afdeling Maatregelen ter gelegenheid van een schouw of een doorzoeking
Zevende afdeling Doorzoeking ter vastlegging van gegevens
Negende afdeling strafrechtelijk financieel onderzoek
Titel IVA Bijzondere bevoegdheden tot opsporing
Eerste afdeling Stelselmatige observatie
Tweede afdeling Infiltratie
Derde afdeling Pseudo-koop of -dienstverlening
Vierde afdeling Stelselmatige inwinning van informatie
Vijfde afdeling Bevoegdheden in een besloten plaats
Zesde afdeling Opnemen van vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel
Zevende afdeling Onderzoek van communicatie door middel van geautomatiseerde werken
Achtste afdeling Onderzoek in een geautomatiseerd werk
Negende afdeling Vorderen van gegevens
Titel V Bijzondere bevoegdheden tot opsporing voor het onderzoek naar het beramen of plegen van ernstige misdrijven in georganiseerd verband
Titel VA Bijstand aan opsporing door burgers
Eerste afdeling Verzoek informatie in te winnen
Tweede afdeling Burgerinfiltratie
Derde afdeling Burgerpseudo-koop of -dienstverlening
Titel VB Bijzondere bevoegdheden tot opsporing van terroristische misdrijven
Eerste afdeling Algemene bepalingen
Tweede afdeling Stelselmatige observatie, pseudo-koop of -dienstverlening, stelselmatige inwinning van informatie, bevoegdheden in een besloten plaats en infiltratie
Derde afdeling Opnemen en onderzoek communicatie
Derde afdeling A Vorderen van gegevens
Derde afdeling B Onderzoek in een geautomatiseerd werk
Vierde afdeling Onderzoek van voorwerpen, vervoermiddelen en kleding
Vijfde afdeling Onderzoek aan het lichaam en DNA-onderzoek
Titel VC Bijstand aan opsporing van terroristische misdrijven door burgers
Titel VD Algemene regels betreffende de bevoegdheden in de titels IVA tot en met VC
Eerste afdeling Voeging bij de processtukken
Tweede afdeling Kennisgeving aan betrokkene
Derde afdeling De bewaring en de vernietiging van processen-verbaal en andere voorwerpen, het gebruik van gegevens voor een ander doel en de ontoegankelijkmaking en vernietiging van gegevens
Vierde afdeling Technische hulpmiddelen
Vijfde afdeling Verbod op doorlaten
Zesde afdeling Uitstel melding onbekende kwetsbaarheden
Titel VE Verkennend onderzoek
Titel VF Vastleggen en bewaren van kentekengegevens
Titel VI Beteekenis van sommige in het wetboek voorkomende uitdrukkingen
Tweede Boek Strafvordering in eersten aanleg
Titel I Het opsporingsonderzoek
Titel II De rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken
Titel III Onderzoek door de rechter-commissaris
Eerste afdeling Aanleiding tot het verrichten van onderzoekshandelingen
Tweede afdeling Het verrichten van onderzoekshandelingen door de rechter-commissaris
Derde afdeeling Het verhoor van den verdachte
Vierde afdeeling Het verhoor van den getuige
Vierde Afdeling A Bedreigde getuigen
Vierde afdeling B Toezeggingen aan getuigen die tevens verdachte zijn
Vierde afdeling C Toezeggingen aan getuigen die reeds veroordeeld zijn
Vierde afdeling D Maatregelen tot bescherming van getuigen
Vierde afdeling E Afgeschermde getuigen
Vijfde afdeeling Deskundigen
Zesde afdeling Beëindiging van het onderzoek
Zevende afdeling Bevoegdheden van de raadsman
Achtste afdeling Geen beroep in cassatie voor het openbaar ministerie
Titel IV Beslissingen omtrent verdere vervolging
Titel IVa Vervolging door een strafbeschikking
Eerste afdeling De strafbeschikking
Tweede afdeling Oplegging door opsporingsambtenaren en lichamen of personen, met een publieke taak belast
Derde afdeling Waarborgen bij de oplegging
Vierde afdeling Uitreiken en toezenden van de strafbeschikking
Vijfde afdeling Het doen van verzet
Zesde afdeling De behandeling van het verzet
Zevende afdeling Openbaarheid
Titel V Aanhangig maken der zaak ter terechtzitting
Titel VI Behandeling van de zaak door de rechtbank
Titel VII Bijzondere bepalingen voor het rechtsgeding voor de politierechter
Titel VIII Bijzondere bepalingen voor het rechtsgeding voor de kantonrechter
Derde Boek Rechtsmiddelen
A Gewone rechtsmiddelen
B Buitengewone rechtsmiddelen
Vierde Boek Eenige rechtsplegingen van bijzonderen aard
Titel I Strafvordering ter zake van strafbare feiten waarvan de Hooge Raad in eersten aanleg kennis neemt
Titel II Strafvordering in zaken betreffende jeugdige personen
Titel IIA Berechting van verdachten bij wie een psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap wordt vermoed
Titel IIB Rechtsplegingen in verband met de terbeschikkingstelling en de plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis
Titel IID Gedragsaanwijzing ter beëindiging van ernstige overlast
Titel III Vervolging en berechting van rechterlijke ambtenaren
Titel IIIa Onderzoek naar gebruik van geweld door ambtenaren
Titel IIIb Strafvordering ter zake van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Titel IV Wraking en verschoning van rechters
Titel V Geschillen over rechtsmacht
Titel VI Vervolging en berechting van rechtspersonen
Titel VIa Schadevergoeding en andere bijzondere kosten
Titel VIb Strafvordering buiten het rechtsgebied van een rechtbank
Titel VII Rechterlijke bevelen tot handhaving der openbare orde
Titel VIII Bijzondere bepalingen omtrent opsporing van feiten, strafbaar gesteld bij het Wetboek van Strafrecht
Titel IX Beklag
Titel X Innovatie van verschillende onderwerpen
Eerste afdeling Prejudiciële procedure bij de Hoge Raad
Tweede afdeling Vastleggen en kennisnemen van gegevens na inbeslagneming
Derde afdeling Opnamen van beeld, geluid of beeld en geluid als onderdeel van de verslaglegging en als wettig bewijsmiddel
§ 1 Algemene bepaling
§ 2 Verslaglegging door opsporingsambtenaren
§ 3 Behandeling van de zaak door de rechtbank
§ 4 Behandeling van de zaak in hoger beroep door het gerechtshof
Vierde afdeling Bevoegdheden van de hulpofficier van justitie
Vijfde afdeling Mediation na aanvang van het onderzoek op de terechtzitting
Zesde afdeling Toepassing
Vijfde Boek Internationale en Europese strafrechtelijke samenwerking
Titel 1 Internationale rechtshulp in strafzaken
Titel 2 Internationale gemeenschappelijke onderzoeksteams
Titel 3 Overdracht en overname van strafvervolging
Eerste afdeling Overdracht van strafvervolging
§ 1 Overdracht van strafvervolging door Onze Minister van Veiligheid en Justitie
§ 2 Overdracht van strafvervolging door de officier van justitie
Tweede afdeling Overname van strafvervolging
Titel 4 Europees onderzoeksbevel
Titel 5 Europees bevriezingsbevel
Titel 7 Wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van bevelen betreffende de voorlopige hechtenis tussen de lidstaten van de Europese Unie
Titel 8 Europees beschermingsbevel
Boek 6 Tenuitvoerlegging
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Hoofdstuk 2 Vrijheidsbenemende straffen en maatregelen
Hoofdstuk 3 Vrijheidsbeperkende straffen, maatregelen en voorwaarden
Hoofdstuk 4 Geldelijke straffen en maatregelen
Hoofdstuk 5 Bijkomende straffen
Hoofdstuk 6 Rechterlijke beslissingen inzake de tenuitvoerlegging
Hoofdstuk 7 Gratie

Eerste afdeeling

Aanhouding en inverzekeringstelling

Artikel 52 (Staandehouding)

Voor een staandehouding is dus een verdachte nodig (zie artikel 27 Sv). Dit wordt nog wel eens verward met een identiteitsbewijs ter inzage vorderen op grond van artikel 8 Pw. Dat betreft dus geen staandehouding. Wel als men geen identiteitsbewijs toont na vordering, dan is men - daarmee - verdachte geworden van artikel 447e Sr.

Bij het uitschrijven van een "bekeuring" (aankondiging van beschikking) op basis van de WAHV (Wet Mulder) voor bijvoorbeeld geen fietsverlichting, is er ook geen sprake van een staandehouding omdat men betrokkene is, geen verdachte.

Iedere opsporingsambtenaar is bevoegd de identiteit van de verdachte vast te stellen op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en hem daartoe staande te houden.

Artikel 53 (Aanhouding heterdaad)

Bij: "ontdekking op heterdaad"
Definitie heterdaad in artikel 128 Sv.
Bij: "de verdachte"
Zie artikel 27 Sv.
  1. In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit is een ieder bevoegd de verdachte aan te houden.

  2. De opsporingsambtenaar die een verdachte bij ontdekking op heterdaad aanhoudt, brengt deze ten spoedigste over naar de plaats voor verhoor ter voorgeleiding aan de hulpofficier van justitie of de officier van justitie.

  3. Geschiedt de aanhouding door een ander dan een opsporingsambtenaar, dan levert deze de aangehoudene onverwijld aan een opsporingsambtenaar over, onder afgifte aan deze van bij de verdachte aangetroffen voorwerpen. De opsporingsambtenaar handelt overeenkomstig de bepaling van het tweede lid en maakt zo nodig een kennisgeving van inbeslagneming op.

  4. Bij de voorgeleiding van de verdachte aan de hulpofficier van justitie of de officier van justitie beoordeelt deze de noodzaak van verdere vrijheidsbeneming op grond van artikel 56a.

Artikel 54 (Aanhouding buiten heterdaad)

Bij: "heterdaad"
Heterdaad zie artikel 128 Sv.
Bij: "voorlopige hechtenis"
Dit niet uit of het lid 1 of lid 2 van artikel 67 Sv is.
  1. Buiten het geval van ontdekking op heterdaad is de opsporingsambtenaar op bevel van de officier van justitie bevoegd de verdachte van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, aan te houden teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden aan de hulpofficier van justitie of de officier van justitie.

  2. Het bevel tot aanhouding kan door de officier van justitie mondeling of schriftelijk worden gegeven. Indien het mondeling wordt gegeven, wordt het nadien in het proces-verbaal vermeld.

  3. Indien het bevel van de officier van justitie niet kan worden afgewacht, komt de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid toe aan de hulpofficier van justitie. De hulpofficier van justitie geeft van de aanhouding onverwijld schriftelijk of mondeling kennis aan de officier van justitie. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.

  4. Indien het bevel van de officier van justitie of de hulpofficier van justitie niet kan worden afgewacht, is de opsporingsambtenaar bevoegd de verdachte aan te houden teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden aan de hulpofficier van justitie of de officier van justitie.

  5. Een bevoegdheid tot aanhouding in Nederland buiten het geval van ontdekking op heterdaad komt toe aan een persoon in de openbare dienst van een vreemde staat voor zover een verdrag daarin voorziet onder de verplichting ten aanzien van de aangehoudene te handelen overeenkomstig artikel 53, tweede lid.

Artikel 55 (Betreden plaats ter aanhouding)

Bij: "ieder"
Dus ook een burger.
Bij: "misdrijf"
Hoewel een burger aan mag houden voor overtreding, mag deze alleen voor misdrijf de plaats betreden
Bij: "Zoowel in geval van ontdekking op heeter daad als buiten dat geval kan iedere opsporingsambtenaar, ter aanhouding van den verdachte, elke plaats betreden."
Let op dat het betreden plaats ter aanhouding door een opsporingsambtenaar een andere eis geldt (mag zowel op heterdaad als buiten heterdaad, denk bij woning aan de aan de AWBI) dan bij doorzoeken ter aanhouding artikel 55a Sv. Daarvoor is er namelijk een feit artikel 67, lid 1 Sv nodig.
  1. In geval van ontdekking op heeter daad van een misdrijf kan ieder, ter aanhouding van den verdachte, elke plaats betreden, met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner en van de plaatsen, genoemd in artikel 12 van de Algemene wet op het binnentreden (Stb. 1994, 572).

  2. Zoowel in geval van ontdekking op heeter daad als buiten dat geval kan iedere opsporingsambtenaar, ter aanhouding van den verdachte, elke plaats betreden.

Artikel 55a (Doorzoeken plaats ter aanhouding opsporingsambtenaar)

  1. In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, kan iedere opsporingsambtenaar ter aanhouding van de verdachte elke plaats doorzoeken. Hij behoeft daartoe de machtiging van de officier van justitie, behoudens het geval van dringende noodzakelijkheid. In het laatste geval wordt de officier van justitie onverwijld van de doorzoeking op de hoogte gesteld.

  2. Indien de officier van justitie aan een opsporingsambtenaar een machtiging heeft verleend ter aanhouding van de verdachte een woning zonder toestemming van de bewoner te doorzoeken, is voor het binnentreden in die woning door de betrokken opsporingsambtenaar geen machtiging als bedoeld in artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden vereist.

Artikel 55b (Identiteitsfouillering)

  1. De bij of krachtens artikel 141 aangewezen ambtenaren alsmede bepaalde door Onze Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen categorieën van andere personen, belast met de opsporing van strafbare feiten, zijn bevoegd een staande gehouden of aangehouden verdachte aan zijn kleding te onderzoeken, alsmede voorwerpen die hij bij zich draagt of met zich mee voert te onderzoeken, een en ander voor zover zulks noodzakelijk is voor de vaststelling van zijn identiteit.

  2. De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, oefenen de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, alleen dan in het openbaar uit, indien dit redelijkerwijs noodzakelijk is om wegmaking of beschadiging van voorwerpen waaruit de identiteit van die verdachte zou kunnen blijken,te voorkomen.

  3. Van de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in het tweede lid, maken zij proces-verbaal op, dat aan de officier van justitie ter beschikking wordt gesteld.

Artikel 55c

Hierin wordt de verplichting voor het nemen van vingerafdrukken en foto's geregeld voor aangehoudenen van VH-feiten.
  1. De ambtenaren, bedoeld in artikel 141, en de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012 en de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 2, onder c, van die wet, voor zover zij zijn aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie en zij tevens buitengewoon opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 142 zijn, stellen de identiteit van de aangehouden verdachte vast op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste en tweede volzin.

  2. De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, nemen met het oog op het vaststellen van de identiteit van een verdachte die is aangehouden wegens een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, of die wordt verhoord wegens een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, zonder dat hij is aangehouden, een of meer foto’s en vingerafdrukken. De vingerafdrukken worden vergeleken met de van verdachten overeenkomstig dit wetboek verwerkte vingerafdrukken en, indien vermoed wordt dat de verdachte een vreemdeling is, met de overeenkomstig de Vreemdelingenwet 2000 verwerkte vingerafdrukken.

  3. De officier van justitie of de hulpofficier beveelt dat van iedere andere verdachte dan de verdachte, bedoeld in het tweede lid, over wiens identiteit twijfel bestaat, een of meer foto’s en vingerafdrukken worden genomen. Het tweede lid, laatste volzin, is van overeenkomstige toepassing.

  4. De foto’s en vingerafdrukken, bedoeld in het tweede en derde lid, kunnen ook worden verwerkt voor het voorkomen, opsporen, vervolgen en berechten van strafbare feiten en het vaststellen van de identiteit van een lijk.

  5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de uitvoering van het nemen van de foto’s en vingerafdrukken, bedoeld in het tweede en derde lid, en voor het verwerken van de resultaten daarvan.

Artikel 55d

  1. De opsporingsambtenaren, bedoeld in artikel 141, onder a tot en met c, kunnen in het belang van het onderzoek bevelen dat een aangehouden verdachte van een geweldsmisdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en dat bij algemene maatregel van bestuur is aangewezen of een aangehouden verdachte van een misdrijf als bedoeld in de artikelen 307, eerste lid, en 308, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, medewerking verleent aan:

    1. een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht of een onderzoek naar de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties ter vaststelling van het gebruik van alcohol;

    2. een onderzoek van speeksel of een onderzoek naar de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties ter vaststelling van het gebruik van andere middelen als bedoeld in het vierde lid dan alcohol.

  2. Het bevel, bedoeld in het eerste lid, wordt alleen gegeven indien uit aanwijzingen blijkt dat de verdachte het geweldsmisdrijf, bedoeld in het eerste lid, onder invloed van alcohol of andere middelen als bedoeld in het vierde lid heeft gepleegd.

  3. Het bevel, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt niet gericht tegen de verdachte van wie aannemelijk is dat het verlenen van medewerking aan een ademonderzoek voor hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is.

  4. Bij algemene maatregel van bestuur worden de andere middelen dan alcohol aangewezen die tot gewelddadig gedrag kunnen leiden en de grenswaarden voor die middelen en alcohol vastgesteld. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de uitvoering van de onderzoeken, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 55e

  1. Indien op grond van een onderzoek als bedoeld in artikel 55d, eerste lid, onder a, ten aanzien van de verdachte bij wie dat onderzoek is uitgevoerd, het vermoeden bestaat dat hij alcohol heeft gebruikt boven de grenswaarde, bedoeld in artikel 55d, vierde lid, of op andere wijze dat vermoeden ten aanzien van hem is ontstaan, kan de opsporingsambtenaar hem bevelen medewerking te verlenen aan een nader onderzoek van uitgeademde lucht.

  2. Het bevel, bedoeld in het eerste lid, wordt niet ten uitvoer gelegd bij de verdachte van wie aannemelijk is dat het verlenen van medewerking aan een nader ademonderzoek voor hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is.

  3. In het geval, bedoeld in het tweede lid, of indien de medewerking van de verdachte niet heeft geleid tot een voltooid nader ademonderzoek of indien op grond van een onderzoek als bedoeld in artikel 55d, eerste lid, onder b, het vermoeden bestaat dat de verdachte onder invloed verkeert van een of meer andere middelen als bedoeld in artikel 55d, vierde lid, dan alcohol of een combinatie van die middelen met alcohol, kan de officier van justitie of, indien zijn optreden niet kan worden afgewacht, de hulpofficier van justitie de verdachte bevelen medewerking te verlenen aan een bloedonderzoek.

  4. Een arts of een verpleegkundige neemt van de verdachte zoveel bloed af als voor het onderzoek, bedoeld in het derde lid, noodzakelijk is.

  5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de uitvoering van de onderzoeken, bedoeld in het eerste en derde lid, en het tegenonderzoek.

Artikel 56 (Onderzoek kleding en lichaam)

  1. De officier van justitie of de hulpofficier voor wie de verdachte wordt geleid of die zelf de verdachte heeft aangehouden, kan, bij het bestaan van ernstige bezwaren tegen deze, in het belang van het onderzoek bepalen dat deze aan zijn lichaam of kleding zal worden onderzocht.

  2. De officier van justitie kan bij het bestaan van ernstige bezwaren tegen de verdachte, in het belang van het onderzoek bepalen dat deze in zijn lichaam wordt onderzocht. Onder onderzoek in het lichaam wordt verstaan: het uitwendig schouwen van de openingen en holten van het onderlichaam, röntgenonderzoek, echografie en het inwendig manueel onderzoek van de openingen en holten van het lichaam. Het onderzoek in het lichaam wordt verricht door een arts. Het onderzoek wordt niet ten uitvoer gelegd indien zulks om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is.

  3. De in het eerste en tweede lid bedoelde onderzoeken worden op een besloten plaats en voor zover mogelijk door personen van hetzelfde geslacht als de verdachte verricht.

  4. De overige opsporingsambtenaren zijn bevoegd den aangehoudene tegen wien ernstige bezwaren bestaan, aan zijne kleeding te onderzoeken.

Artikel 56a (Ophouden onderzoek hOvJ)

Bij: "mede"
dus een niet limitatieve opsomming
  1. Nadat de aangehouden verdachte aan de hulpofficier van justitie of de officier van justitie is voorgeleid, kan deze bevelen dat de verdachte wordt opgehouden voor onderzoek dan wel in vrijheid wordt gesteld. De hulpofficier van justitie kan voorts beslissen om de verdachte onverwijld voor te geleiden aan de officier van justitie.

  2. De verdachte van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten kan ten hoogste negen uur worden opgehouden voor onderzoek; de verdachte van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten ten hoogste zes uur. De tijd tussen middernacht en negen uur ’s morgens wordt voor de berekening van deze termijnen niet meegerekend. De ophouding vindt plaats in het belang van het onderzoek.

  3. Voor het einde van de periode, bedoeld in het tweede lid, of zoveel eerder als het onderzoek dat toelaat, wordt de verdachte in vrijheid gesteld of in verzekering gesteld.

  4. Het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, omvat mede de identificatie van de verdachte, de voorbereidingen voor het verhoor, het verhoor en het uitreiken van mededelingen in persoon over het vervolg van de strafzaak.

  5. Tijdens het ophouden voor onderzoek wordt de verdachte verhoord op de wijze bepaald in de artikelen 29 en 29a.

Artikel 56b

  1. Indien de identificatie van de aangehouden verdachte van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten, niet binnen de in artikel 56a, tweede lid, bedoelde termijn kan worden afgerond, kan die termijn op bevel van de hulpofficier van justitie of de officier van justitie voor wie de verdachte is geleid eenmaal met ten hoogste zes uur worden verlengd.

  2. Het bevel tot verlenging op grond van het eerste lid is gedagtekend en ondertekend. Het bevat een korte omschrijving van het strafbare feit ten aanzien waarvan een verdenking bestaat en de feiten of omstandigheden waarop de verdenking is gegrond.

  3. De verdachte wordt in het bevel met name of, wanneer zijn naam onbekend is, zo duidelijk mogelijk aangewezen. Een afschrift van het bevel wordt hem onverwijld uitgereikt. Indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, wordt hem de inhoud van het bevel mondeling in een voor hem begrijpelijke taal medegedeeld.

Artikel 57 (Inverzekeringstelling)

Zie voor de voorwaarden waaronder artikel 58 Sv.
  1. De officier van justitie of de hulpofficier voor wie de verdachte wordt geleid, of die zelf de verdachte heeft aangehouden, kan, na hem verhoord te hebben, bevelen dat hij tijdens het onderzoek ter beschikking van de justitie zal blijven en daarvoor op een in het bevel aangeduide plaats in verzekering zal worden gesteld. Inverzekeringstelling vindt plaats in het belang van het onderzoek, waaronder mede wordt verstaan het belang van het aan de verdachte in persoon uitreiken van mededelingen over de strafzaak.

  2. De verdachte is bevoegd zich bij het verhoor door een raadsman te doen bijstaan. De raadsman wordt bij het verhoor in de gelegenheid gesteld de nodige opmerkingen te maken.

  3. Van het verhoor wordt proces-verbaal opgemaakt door de officier of de hulpofficier die het bevel verleent. Dit proces-verbaal wordt bij de processtukken gevoegd.

  4. De hulpofficier geeft van zijn bevel onverwijld kennis aan de officier van justitie.

  5. Zodra het belang van het onderzoek dit toelaat, gelast de officier van justitie de invrijheidstelling van de verdachte. Indien het onderzoeksbelang nog slechts bestaat uit het uitreiken aan de verdachte in persoon van een mededeling over de strafzaak, wordt deze mededeling zo spoedig mogelijk uitgereikt en de verdachte daarna in vrijheid gesteld.

Artikel 58 (Voorwaarden inverzekeringstelling)

Bij: "voorloopige hechtenis"
Dus zowel lid 1 als 2 van artikel 67 Sv.
  1. Het bevel tot inverzekeringstelling wordt slechts verleend in geval van een strafbaar feit waarvoor voorloopige hechtenis is toegelaten.

  2. Het bevel tot inverzekeringstelling is slechts gedurende ten hoogste drie dagen van kracht. Bij dringende noodzakelijkheid kan het bevel door de officier van justitie eenmaal voor ten hoogste drie dagen worden verlengd.

  3. Zodra het belang van het onderzoek dit toelaat, gelast de hulpofficier de invrijheidstelling van de verdachte. In het andere geval stelt hij de officier van justitie voor de inverzekeringstelling te verlengen. De officier van justitie kan bevelen dat de verdachte ten einde te worden gehoord voor hem wordt geleid.

Artikel 59

Bij: "Het politiebureau is bestemd voor het ondergaan van de inverzekeringstelling. In bijzondere gevallen kan de officier van justitie gelasten dat de inverzekeringstelling in een huis van bewaring wordt ondergaan."
Er is ook de mogelijkheid om iemand in verzekering te stellen in het ziekenhuis of cel met medisch toezicht, zie artikel 62, lid 2 Sv.

Ten aanzien van de minderjarige kan artikel 493, lid 3 Sv kan elke geschikte plaats, dus ook diens woning, worden gebruikt.
  1. Het bevel tot inverzekeringstelling of tot verlenging daarvan is gedagteekend en onderteekend. De ondertekening van het bevel kan in opdracht van de officier van justitie, die het bevel heeft gegeven, namens deze ook geschieden door een hulpofficier.

  2. Het omschrijft zoo nauwkeurig mogelijk het strafbare feit, den grond der uitvaardiging en de bepaalde omstandigheden welke tot het aannemen van dien grond hebben geleid.

  3. De verdachte wordt in het bevel met name, of wanneer zijn naam onbekend is, zoo duidelijk mogelijk aangewezen.

  4. Een afschrift van het bevel wordt hem onverwijld uitgereikt.

  5. De directeur van de stichting reclassering wordt onverwijld van het bevel tot inverzekeringstelling in kennis gesteld.

  6. Het politiebureau is bestemd voor het ondergaan van de inverzekeringstelling. In bijzondere gevallen kan de officier van justitie gelasten dat de inverzekeringstelling in een huis van bewaring wordt ondergaan.

  7. Indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, wordt hem zo spoedig mogelijk in een voor hem begrijpelijke taal schriftelijk mededeling gedaan van het strafbare feit ten aanzien waarvan de verdenking is gerezen, de grond voor uitvaardiging en de geldigheidsduur van het bevel.

Artikel 59a

  1. Uiterlijk binnen drie dagen en achttien uur, te rekenen vanaf het tijdstip van de aanhouding, wordt de verdachte ten einde te worden gehoord voor de rechter-commissaris geleid.

  2. De rechter-commissaris bepaalt, na daartoe van de officier van justitie een verzoek te hebben ontvangen, onverwijld tijd en plaats van het verhoor en geeft hiervan kennis aan de officier van justitie, de verdachte en de raadsman.

  3. De verdachte is bevoegd zich bij het verhoor door een raadsman te doen bijstaan. De raadsman wordt bij het verhoor in de gelegenheid gesteld de nodige opmerkingen te maken. De officier van justitie is bevoegd het verhoor bij te wonen en daarbij de nodige opmerkingen te maken.

  4. De verdachte kan bij zijn verhoor de rechter-commissaris zijn invrijheidstelling verzoeken.

  5. Indien de rechter-commissaris de inverzekeringstelling onrechtmatig oordeelt, beveelt hij de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte. In het andere geval tekent de rechter-commissaris zijn beslissing in het proces-verbaal van het verhoor aan of, ingeval de verdachte een verzoek tot invrijheidstelling heeft gedaan, wijst de rechter-commissaris het verzoek af. De aantekening wordt door de rechter-commissaris gewaarmerkt.

  6. De beschikking is gedagtekend, ondertekend en met redenen omkleed. De rechter-commissaris doet deze onverwijld toekomen aan de officier van justitie en de verdachte.

Artikel 59b

Zodra de verdachte door de officier van justitie of de hulpofficier overeenkomstig artikel 57, vijfde lid, onderscheidenlijk artikel 58, derde lid, in vrijheid is gesteld, vindt artikel 59a geen toepassing meer.

Artikel 59c

  1. Tegen een beschikking van de rechter-commissaris tot onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte op de voet van artikel 59a, vijfde lid, staat voor de officier van justitie binnen veertien dagen daarna bij de rechtbank hoger beroep open.

  2. De verdachte wordt, tenzij de rechtbank reeds aanstonds tot afwijzing van het hoger beroep besluit, gehoord althans behoorlijk opgeroepen. De rechtbank kan diens medebrenging gelasten.

  3. De rechtbank beslist zo spoedig mogelijk. De beschikking is met redenen omkleed en wordt schriftelijk ter kennis van de officier van justitie en de verdachte gebracht.

Artikel 60

De officier van justitie voor wien de verdachte wordt geleid of die zelf den verdachte heeft aangehouden, doet hem, ingeval hij diens bewaring noodig oordeelt, onverwijld geleiden voor den rechter-commissaris.

Artikel 61a (Maatregelen in belang der onderzoek)

Bevoegdheid is geregeld in artikel 62a Sv.
Bij: "onder meer"
Dus niet-limitatief
Bij: "de voor onderzoek opgehouden verdachte"
De verdachte moet dus eerst voor onderzoek zijn opgehouden
  1. Tegen de voor onderzoek opgehouden verdachte kunnen maatregelen in het belang van het onderzoek worden bevolen. Als zodanige maatregelen kunnen onder meer worden aangemerkt:

    1. het maken van foto’s en video-opnamen;

    2. het nemen van lichaamsmaten en handpalm-, voet-, teen-, oor- en schoenzoolafdrukken;

    3. de toepassing van een confrontatie;

    4. de toepassing van een geuridentificatieproef;

    5. het afscheren, knippen of laten groeien van snor, baard of hoofdhaar;

    6. het dragen van bepaalde kleding of bepaalde attributen ten behoeve van een confrontatie;

    7. plaatsing in een observatiecel;

    8. onderzoek naar schotresten op het lichaam.

  2. De in het eerste lid genoemde maatregelen kunnen alleen worden bevolen in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid.

  3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de uitvoering van de maatregelen in het belang van het onderzoek en voor het verwerken van de resultaten daarvan.

Artikel 62 (Verdachte in (alle/volledige) beperkingen)

Bevoegdheid is geregeld in artikel 62a Sv.
  1. De in verzekering gestelde verdachte wordt aan geen andere beperkingen onderworpen dan die in het belang van het onderzoek of in het belang der orde volstrekt noodzakelijk zijn.

  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 45, kunnen tegen de in het eerste lid bedoelde verdachte maatregelen in het belang van het onderzoek worden bevolen. Als zodanige maatregelen kunnen, naast de in artikel 61a, eerste lid, onderdeel a tot en met h, genoemde maatregelen, onder meer worden aangemerkt:

    1. beperkingen met betrekking tot het ontvangen van bezoek, telefoonverkeer, briefwisseling en de uitreiking van kranten, lectuur of andere gegevensdragers, dan wel andere maatregelen betrekking hebbend op het verblijf in het kader van de vrijheidsbeneming;

    2. de overbrenging naar een ziekenhuis, of een andere instelling waar medisch toezicht is gewaarborgd, of verblijf in een daartoe ingerichte cel onder medisch toezicht.

  3. De behandeling van de in verzekering gestelde verdachten en de eisen waaraan de voor de inverzekeringstelling bestemde plaatsen moeten voldoen, worden,naar beginselen bij of krachtens de wet te stellen, geregeld bij algemene maatregel van bestuur.

  4. Indien naar aanleiding van de in artikel 59, vijfde lid, genoemde kennisgeving een rapport is opgesteld, neemt de officier van justitie van dat rapport kennis alvorens een vordering tot bewaring te doen.

  5. De verdachte zal bij de toepassing van de maatregelen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, worden gewezen op de bezwaarmogelijkheid die in artikel 62a, vierde lid, is opgenomen.

Artikel 62a

  1. Maatregelen in het belang van het onderzoek kunnen door de officier van justitie worden bevolen.

  2. De bevoegdheid bedoeld in het eerste lid komt, uitgezonderd de bevoegdheid tot het geven van een bevel tot de maatregel bedoeld in artikel 61a, eerste lid, onder e, gedurende de ophouding voor onderzoek en de inverzekeringstelling indien het optreden van de officier van justitie niet kan worden afgewacht, toe aan de hulpofficier van justitie die de ophouding voor onderzoek dan wel de inverzekeringstelling heeft gelast.

  3. De directeur van het huis van bewaring, indien de vrijheidsbeneming aldaar wordt ondergaan, en anders de bij het bevel aan te wijzen persoon, draagt zorg voor de uitvoering van het bevel.

  4. De verdachte kan tegen het bevel als bedoeld in artikel 62, tweede lid, onder a, een bezwaarschrift indienen bij de rechtbank of, indien het bevel is gegeven in het kader van de voorlopige hechtenis, bij het rechterlijk college dat oordeelt omtrent de voortzetting van de voorlopige hechtenis. Het bevel wordt in afwachting van de rechterlijke beslissing niet uitgevoerd, tenzij degene die het bevel heeft gegeven een onverwijlde uitvoering in het belang van het onderzoek volstrekt noodzakelijk acht.

← terug naar Wetboek van Strafvordering