1. Indien de rechtbank, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte, oordeelt dat vereniging van de zaak met een zaak die voor een andere, bevoegde rechtbank in onderzoek is in het belang van een goede rechtsbedeling is, verwijst zij de zaak daarheen. Deze beslissing wordt gemotiveerd. Artikel 282 is van overeenkomstige toepassing.

  2. Alvorens te beslissen hoort de rechtbank de officier van justitie en de verdachte die op de terechtzitting aanwezig is.

  3. Indien de rechtbank waarnaar een zaak is verwezen instemt met de verwijzing, zendt de griffier van de rechtbank die de zaak heeft verwezen de stukken van het geding zo spoedig mogelijk aan de griffier van eerstgenoemde rechtbank.

  4. De zaak wordt voor de rechtbank waarnaar die zaak is verwezen op de bestaande tenlastelegging aanhangig gemaakt door oproeping van de verdachte vanwege de officier van justitie tegen de dag van de nadere terechtzitting. Artikel 320 is van overeenkomstige toepassing.

  5. De zaak wordt op de gewone wijze voortgezet, met dien verstande dat de beraadslaging bedoeld in de artikelen 348 en 350, mede geschiedt naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting voor de rechtbank die de zaak heeft verwezen, zoals dit volgens het proces-verbaal van die terechtzitting heeft plaats gehad. Artikel 322, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  6. Het onderzoek op de terechtzitting wordt opnieuw aangevangen, tenzij de officier van justitie en de verdachte instemmen met hervatting in de stand waarin het onderzoek zich op het tijdstip van de verwijzing bevond.